Skills 1.3.4 Vitale functies ademhaling saturatie

Skills 1.3.4
Vitale functies
Ademhaling en saturatie
1 / 11
suivant
Slide 1: Diapositive
Verpleging en verzorgingMBOStudiejaar 1

Cette leçon contient 11 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 60 min

Éléments de cette leçon

Skills 1.3.4
Vitale functies
Ademhaling en saturatie

Slide 1 - Diapositive

Leerdoelen
  • Ik weet wat vitale functies zijn.
  • Ik weet welke vitale functies er zijn en wat de normaalwaarden hiervan zijn.
  • Ik weet hoe ik de ademhaling kan meten bij een zorgvrager.
  • Ik weet hoe ik de saturatie kan meten bij een zorgvrager.

Slide 2 - Diapositive

Wat houden de vitale functies ook alweer in?

Slide 3 - Question ouverte

Vitale functies
In het menselijk lichaam bevinden zich organen die elk een eigen, belangrijke functie hebben. Een aantal van deze functies is van direct levensbelang. Deze functies noemt men de vitale functies.

De vitale functies bestaan uit:
  • Ademhaling
  • Circulatie (bloedsomloop)
  • Bewustzijn

Slide 4 - Diapositive

Ademhaling

Zoek in tweetallen het volgende uit:
  • Wat houdt het onderwerp in? ​
  • Wat zijn de normaalwaarden?​
  • Wat zijn de afwijkende waarden?

Gebruik hierbij de informatie uit je boek en van mboleren.nl

timer
5:00

Slide 5 - Diapositive

Welke informatie heb je gevonden?

Slide 6 - Question ouverte

Ademhaling
Soorten ademhaling:
  • Eupneu: normale ademhaling
  • Tachypneu: versnelde ademhaling
  • Hyperventilatie: versnelde en diepe ademhaling
  • Cheyne-Stokes: snelle en diepe ademhalingen, vervlakkend totdat een pauze (20-60 seconden) intreedt (terminale fase)
  • Kussmaul: snelle (meer dan 20 ademhalingen per minuut), zeer diepe (lijkend op zuchten), moeizame ademhaling zonder pauze (acidose)

Waarden:
Lager dan 12 ademhalingen per minuut: Bradypneu (vertraagde ademhaling)
12-20 ademhalingen per minuut: normaal
Hoger dan 20 ademhalingen per minuut: Tachypneu (versnelde ademhaling)

Slide 7 - Diapositive

Saturatie

Zoek in tweetallen het volgende uit:
  • Wat houdt het onderwerp in? ​
  • Wat zijn de normaalwaarden?​
  • Wat zijn de afwijkende waarden?

Gebruik hierbij de informatie uit je boek en van mboleren.nl

timer
5:00

Slide 8 - Diapositive

Welke informatie heb je gevonden?

Slide 9 - Question ouverte

Saturatie
Om na te gaan of er zuurstoftekort is, meet je de hoeveel zuurstof die aan hemoglobine gebonden is. Dit kan door saturatie worden gemeten. Er zijn twee manieren om de saturatie te meten:
  • Bloedgasanalyse: er wordt bloed afgenomen uit een slagader. Het bloed wordt onderzocht op zuurstofverzadiging. Dit wordt de SaO2 genoemd.
  • Meten met een pulse oximeter, ook wel saturatiemeter genoemd, op vinger, teen of oor. De saturatie wordt uitgedrukt in een percentage en geeft aan welk percentage hemoglobine volledig verzadigd is met zuurstof.

Wat de optimale waarde van de saturatie is kan per persoon variëren. Cliënten met chronische longaandoeningen zoals astma en COPD kunnen een lage zuurstofstofsaturatie hebben zonder acute benauwdheidsklachten. Dit komt omdat het lichaam zich geleidelijk aanpast aan het zuurstoftekort.
Oudere mensen hebben over het algemeen ook lagere zuurstofsaturaties.
Stel daarom per cliënt in overleg met de arts vast wat het optimale zuurstofpercentage is. En bij welke (onder)waarde er overleg moet plaatsvinden. Leg dit vast in het dossier van de cliënt. Bij gezonde mensen is de normaalwaarde 95% tot 100%.



Slide 10 - Diapositive

Einde van de les

Slide 11 - Diapositive