Cette leçon contient 16 diapositives, avec diapositives de texte.
Éléments de cette leçon
Cours du 17 mars
Slide 1 - Diapositive
Programme
Presentie
Lesdoelen
Herhalen
- Delend lidwoord
Au travail:
- het delend lidwoord
- Slim stampen H5
- Schrijfopdracht
Les devoirs
Slide 2 - Diapositive
Presentie
Slide 3 - Diapositive
Lesdoelen
Na de les...
...kun je de juiste vorm van het delend lidwoord toepassen.
...kun je het juiste delend lidwoord in de zin zetten.
...kun je op een Frans bericht antwoorden over eten.
Slide 4 - Diapositive
Weten jullie nog?
In het Frans staat er ALTIJD een lidwoord voor het zelfstandig naamwoord. Ook als er in het Nederlands géén lidwoord staat:
Je mange du pain Ik eet brood.
'du' noem je een delend lidwoord.
Waarom 'delend'?
> omdat hiermee wordt bedoeld dat je maar een deel van het brood op eet, niet het hele brood. Of een deel van het water drinkt, en niet al het water in de wereld.
Slide 5 - Diapositive
Het delend lidwoord
Hoewel wij dus niet een dergelijk lidwoord in het Nederlands kennen, kent het delend lidwoord gelukkig wel een bepaalde logica.
Let op!
Na een ontkenning en na een woord van hoeveelheid komt er een de of een d' OOK als het woord in het meervoud staat. une boîte de fruits (mv), une pile d'assiettes (mv).
Par exemple:
Je ne veux pas de coca.
Je prends une bouteille d'eau et un paquet de yaourt.
Slide 6 - Diapositive
Het delend lidwoord
Gebruik je het delend lidwoord dan alleen met eten?
Nee, zeker niet:
Heb jij messen? Tu as des couteaux?
Geen lidwoord in het Nederlands, dus een delend lidwoord in het Frans. Er moet immers ALTIJD een lidwoord voor het zelfstandig naamwoord staan in het Frans.
Slide 7 - Diapositive
Het delend lidwoord
na woorden van hoeveelheid
Kijk eens mee naar de volgende zin:
Tu achètes des pommes (mv). vs Tu achètes un kilo de pommes (mv).
In de eerste zin is het niet duidelijk hoeveel appels er gekocht worden. Er wordt een deel gekocht, dus een delend lidwoord. Maar in de tweede zin is dit wel het geval, namelijk een kilo.
Zodra er dus een woord van hoeveelheid in staat, gebruik je de. Naast de gebruik je ook d' als het zelfstandig naamwoord begint met een klinker of stomme 'h':
un verred'eau, un litred'huile.
Slide 8 - Diapositive
Het delend lidwoord
na woorden van hoeveelheid
Woorden van hoeveelheid zij bijvoorbeeld:
beaucoup, trop, peu, un kilo, *un verre, *une bouteille, un paquet, trois kilos, ...
*la bouteille, le verre > deze woorden vind je in de voca.
Slide 9 - Diapositive
Het delend lidwoord
na aimer, adorer, préférer en détester
Na een aantal werkwoorden volgt er geen delend lidwoord, maar een bepaald lidwoord (de, het).
Dit zijn de werkwoorden aimer, adorer, préférer en détester.
> J'aime le poulet. = Ik hou van kip.
> Je déteste le poisson. = Ik heb een hekel aan vis.
Let op!
!! Deze werkwoorden moet je uit je hoofd leren !!
!! De bepaalde lidwoorden, neem je NIET mee in de vertaling!!
Slide 10 - Diapositive
Het delend lidwoord
Enkele voorbeelden
1. Beaucoup de Français boivent du vin.
géén lidwoord in het Nederlands.
2. Ma soeur achète un kilode pommes (mv).
Woord van hoeveelheid.
3. Sofia n'aime pasd'oeufs (mv).
Ontkenning.
4. Je préfèreles fruits.
Werkwoord préférer
Slide 11 - Diapositive
Schrijfopdracht
Straks krijg je van mij een werkblad waarop een schrijfopdracht staat.
Jullie gaan namelijk oefenen met het antwoorden op een uitnodiging om samen eten te koken en boodschappen te doen.
Deze schrijfopdracht lever je bij mij in, kijk ik na en krijg je de volgende les terug.
Slide 12 - Diapositive
Au travail!
Jullie gaan nu bezig met paragraaf E.
Eerst gaan we de docu zien. Kies een voorbereidende opdracht op p.153 uit
en werk deze uit.
Daarna kies je één van de niveaus uit op het werkblad wat ik je heb uit
gedeeld. Deze kijken we hierna na.
timer
30:00
Slide 13 - Diapositive
Au travail!
Je gaat nu aan het werk met de schrijfopdracht. Volg de volgende punten en lever in:
- [2p] Vertel wat je in het restaurant gaat bestellen.
- [2p] Vertel wat je lekker vindt qua eten.
- [2p] Vertel wat je echt niet lekker vindt qua eten.
- [2p] Geef aan of je wel of niet een dessert eet.
Lever je schrijfopdracht bij mij in en maak daarna paragraaf E.