Les 4 U3 regelmatige werkwoorden

Ga naar Lesson-up en type de PIN in.
1 / 25
suivant
Slide 1: Diapositive
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

Cette leçon contient 25 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 5 vidéos.

Éléments de cette leçon

Ga naar Lesson-up en type de PIN in.

Slide 1 - Diapositive

Programme d'aujourd'hui
Herhaling regelmatige werkwoorden
Apprendre 1 2

Slide 2 - Diapositive

Slide 3 - Vidéo

Slide 4 - Diapositive

Slide 5 - Vidéo

Slide 6 - Diapositive

Slide 7 - Vidéo

Slide 8 - Vidéo

ça  y est? (is het gelukt?)

Slide 9 - Diapositive

Regarde la page 85 dans ton livre.

Slide 10 - Diapositive

Slide 11 - Diapositive

Check in voor Apprendre 1 en 2.
timer
1:00

Slide 12 - Diapositive

Een regelmatige werkwoord ......
A
begint altijd met -er
B
eindigt altijd op - er

Slide 13 - Quiz

een regelmatig werkwoord wordt zo genoemd, omdat.....
A
het altijd dezelfde uitgangen gebruikt.
B
het heel vaak gebruikt wordt.

Slide 14 - Quiz

Hoe vind je de stam van een werkwoord?

Slide 15 - Question ouverte

welke uitgangen komen achter de stam?

Slide 16 - Carte mentale

hele werkwoord   -   er   = STAM
je  = STAM +  e
tu = STAM +  es
il / elle/ on = STAM +  e
nous = STAM +  ons
vous = STAM +  ez
ils / elles = STAM +  ent
Parler  (praten)
parl-  = stam
je    parl e
tu    parl es
il    parl e
elle  parl e
on    parl e
nous  parl ons
vous  parl ez
ils   parl ent
elles parl ent

Slide 17 - Diapositive

La recette / het recept
1.  welk werkwoord heb je nodig?  Wat is het infinitief / hele werkwoord?
2. haal hiervan de "- er" van af.  Nu heb je de stam van het werkwoord.
3. wie of wat is het onderwerp? (je, tu, il, elle, on, nous, vous, ils, elles)
4. kies de vaste uitgang                                 die bij het onderwerp hoort.

5. let op!  Zie je geen onderwerp zoals bij 3?
Let op!
Als het onderwerp één naam of een zelfstandig naamwoord in het enkelvoud is, dan gebruik je uitgang die hoort bij il, elle, on.

Als het onderwerp meer dan één naam heeft ( Jean et Monique) of een zelfstandig naamwoord in het meervoud is, dan gebruik je de uitgang die hoort bij ils, elles.

Slide 18 - Diapositive

Grammaire 1
Tu as bien compris les verbes réguliers? 
Voilà, vas-y!

Slide 19 - Diapositive

Grammaire 2
Tu as bien compris les verbes réguliers? 
Voilà, vas-y!

Slide 20 - Diapositive

à faire.....
leren/apprendre:
Apprendre 1 en 2
regels regelmatig werkwoord

maken /faire:

Slide 21 - Diapositive

Grammaire

Slide 22 - Diapositive

Slide 23 - Vidéo

C'est la fin

Slide 24 - Diapositive

Slide 25 - Diapositive