Je gebruikt de Present simple in de tegenwoordige tijd. Dus als iets nu gebeurt.
OF als iets in de toekomst gebeurt.
De Present simple wordt toegepast wanneer er gesproken wordt over een feit, gewoonte, als iets nooit gebeurt, of als iets opeens gebeurt.
VB: He plays football every week.
VB: Suddenly the rope breaks.
VB: The train leaves the station.