mondeling en theorie fictie 4tl 2425

Informatie mondeling SE fictie en uitleg theorie fictiebegrippen

1 / 33
suivant
Slide 1: Diapositive

Cette leçon contient 33 diapositives, avec diapositives de texte.

Éléments de cette leçon

Informatie mondeling SE fictie en uitleg theorie fictiebegrippen

Slide 1 - Diapositive

Mondeling SE fictie
Duur: ongeveer 10 minuten 
Indeling in groepjes van drie of vier leerlingen
Je krijgt kaartjes met daarop vragen m.b.t de boeken die je hebt gelezen. 
De theorie fictie (zie ook de informatie op het kopieerblad) verwerk je in je antwoorden

I

Slide 2 - Diapositive

Mondeling SE
Nabespreking van twee docenten
Beoordeling/ cijfer krijg je aan de hand van de ingevulde rubric en de informatie over de gelezen boeken en verwerking van de opdrachten in jouw logboek.
Je mag het logboek van te voren niet mee naar huis nemen.


Slide 3 - Diapositive

Mondeling SE
Alle mondelinge SE's  zijn voor aankomende week ingepland.
(31 maart t/m 4 april)
Het rooster hiervan staat in Magister.
De reguliere lessen vervallen deze week.

Schrijf de drie titels van de gelezen boeken op de lijst

Slide 4 - Diapositive

Theorie fictie
Uitleg begrippen 
Logboek bij de hand

Slide 5 - Diapositive

Theorie fictie
onderwerpen: 
  • realistisch of niet?
  • tijd
  • perspectief
  • hoofd- en bijpersoon
  • open en gesloten einde
  • spanning
  • mening vormen

Slide 6 - Diapositive

Realistisch of niet?

Slide 7 - Diapositive

Realistisch 

Een verzonnen verhaal kan lijken op de werkelijkheid.
Een verhaal is realistisch als het lijkt 
op de werkelijkheid, geloofwaardig is 
en geen fantasie-elementen bevat. 

Slide 8 - Diapositive

 Niet-realistisch
Als er dingen voorkomen in een verhaal die niet geloofwaardig zijn is het verhaal niet-realistisch.

Bijvoordbeeld wanneer er in een verhaal 
fantasie-elementen  voorkomen zoals: 
tovenaars, zombies en aliëns.  

Slide 9 - Diapositive

Realistische - niet Realistische
Kan je aangeven in jouw logboek: 
Boek 1/2/3:  Het is .......................................fictie, omdat..........................................(noem een voorbeeld uit het boek)

Slide 10 - Diapositive

Tijd
Het verhaal speelt zich af in het heden of verleden
Bedenk in welke tijd het verhaal zich afspeelt.

Je moet ook uit kunnen leggen waarom je dat denkt. Bijvoorbeeld door een gebeurtenis te benoemen 
die voorkomt in het boek,


Slide 11 - Diapositive

Tijd
Je kijkt naar het verloop van een verhaal.
Het verhaal kan chronologisch geschreven zijn: 
De gebeurtenissen worden verteld in de volgorde waarin ze zich hebben afgespeeld.

Slide 12 - Diapositive

Tijd
Flashback: terugblik naar een eerdere gebeurtenis.
- Met een terugblik krijg je vaak meer informatie over de hoofdpersoon.
Flashforward: Sprong in de tijd naar een toekomstige  gebeurtenis.
- De schrijver geeft je alvast informatie over wat er nog komen zal. 

Slide 13 - Diapositive

Tijd
Boek 1/2/3  speelt zich af in het heden/ verleden, want...................................... (noem een voorbeeld).
Het is geschreven op chronologische/ niet- chronologische volgorde omdat....................................(noem een voorbeeld) .
Er wordt gebruik gemaakt van flashbacks/flash forward, want..........................(noem een voorbeeld).

Slide 14 - Diapositive

Perspectief: Ik-verhalen en hij/zij-verhalen
Een verhaal kan vanuit verschillende standpunten geschreven worden:
Ik-perspectief.
Hij-/zij- perspectief 

Slide 15 - Diapositive

 Ik perspectief
Bij een verhaal met een ik-verteller vertelt de hoofpersoon het verhaal vanuit zijn of haar perspectief. Dit geeft een directe en persoonlijke ervaring .
 
Voorbeeld:
" Ik voelde de spanning in de lucht toen ik het podium opliep. Mijn handen trilden en mijn hart bonsde in mijn borst."

Slide 16 - Diapositive

  hij/zij-verhalen 
Bij de hij/zij-verteller wordt het verhaal verteld vanuit een derde persoon, die niet betrokken is bij de gebeurtenissen. Dit kan een meer objectieve kijk geven.

Voorbeeld:
"Hij voelde de spanning in de lucht toen zij eraan kwam. Zijn handen trilden en zijn hart bonsde in zijn borst."

Slide 17 - Diapositive

Hoofdpersoon en bijpersonen

Slide 18 - Diapositive

Hoofdpersoon 
Wordt uitgebreid beschreven: je leest wat deze persoon denkt en voelt.
Heeft meestal een probleem of opdracht in het verhaal dat opgelost of volbracht moet worden. 
Je weet wat hij/zij denkt en voelt; je weet wat zijn karaktereigenschappen zijn; hij/zij maakt een karakterontwikkeling door.


Slide 19 - Diapositive

 Bijpersonen
Je weet gedachten en gevoelens niet ;
ze veranderen niet;
ze reageren vaak voorspelbaar.

Slide 20 - Diapositive

Hoofdpersoon en bijpersoon
Je kunt personages beschrijven aan de hand van:


- Uiterlijk
- Kenmerken (geslacht, leeftijd, gezondheid, achtergrond)
- Karaktereigenschappen
- Relaties met andere personages



Slide 21 - Diapositive

Hoofdpersoon en bijpersoon
Kan je aangeven in jouw logboek: 
Boek 1/2/3: Een hoofdpersoon is ......................................., omdat....................................(noem een voorbeeld over zijn of haar gedachten of gevoelens 

Slide 22 - Diapositive

Bijpersoon
 Boek 1/2/3: Een bijpersoon is ......................................., omdat.................................... 
(noem een voorbeeld uit het boek)

Slide 23 - Diapositive

Open en gesloten einde
Een verhaal kan op twee manieren eindigen:
gesloten
- het verhaalprobleem is opgelost
open
- sommige zaken zijn nog niet opgelost (zelf invullen)

Slide 24 - Diapositive

Spanning
Spanning ontstaat als het verhaal vragen bij je oproept over de afloop van een gebeurtenis, of over de afloop van het hele verhaal. 
Zulke vragen noemen we spanningsvragen
Ook kan het verhaal op een spannend moment 
worden afgebroken. Dit noem je een cliffhanger.

Slide 25 - Diapositive

Spanning
Boek 1/2/3 maakt wel/geen gebruik van spanning, want .......................................................................................................................(licht toe aan de hand van voorbeelden vorige sheet).


Slide 26 - Diapositive

Mening geven
Je mening geven doe je met beoordelingswoorden. Voorbeelden van beoordelingswoorden :
Spannend - saai
Duidelijk - verwarrend
Humoristisch - zonder humor
Veel actie - gebeurt weinig in
Verdrietig - vrolijk

Slide 27 - Diapositive

Mening geven
Over alle begrippen en gebeurtenissen in het boek moet je ook je mening kunnen geven. 
Vind je dat de auteur de begrippen goed heeft toegepast? 
Snap je de keuzes van de hoofdpersoon? 

Slide 28 - Diapositive

Argumenten
Je kunt een boek of film om verschillende redenen mooi of niet mooi vinden. 
Je kunt de volgende argumenten gebruiken:
Het onderwerp; je vindt het onderwerp wel of niet interessant
De personen; je vindt ze leuk, bijzonder, sympathiek of juist het omgekeerde.
De manier van schrijven; je waardeert het dat het verhaal realistisch of juist niet-realistisch is.
De bedoeling van een boek/film; die spreekt je wel of niet aan.
De gevoelens die je hebt bij een boek/film; je moet lachten, huilen, of je vindt het saai.

Slide 29 - Diapositive

Slide 30 - Diapositive

Slide 31 - Diapositive

Slide 32 - Diapositive

Slide 33 - Diapositive