mondeling en theorie fictie 4tl 2425

Informatie mondeling SE fictie en uitleg theorie fictiebegrippen

1 / 28
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolvmbo lwoo, t, mavoLeerjaar 4

Cette leçon contient 28 diapositives, avec diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 1 min

Éléments de cette leçon

Informatie mondeling SE fictie en uitleg theorie fictiebegrippen

Slide 1 - Diapositive

Mondeling SE fictie
Alle informatie hierover staat in het kopieerboekje
Duur: ongeveer 10 minuten 
Indeling in groepjes van drie of vier leerlingen
Je krijgt kaartjes met daarop vragen m.b.t de boeken die je hebt gelezen. 
De theorie over fictie verwerk je in je antwoorden

I

Slide 2 - Diapositive

Mondeling SE
Nabespreking van twee docenten
Beoordeling/ cijfer krijg je aan de hand van de ingevulde rubric, de informatie over de gelezen boeken en verwerking van de opdrachten in jouw logboek.
Je mag het logboek van te voren mee naar huis nemen om je voor te bereiden


Slide 3 - Diapositive

Mondeling SE
Alle mondelinge SE's  zijn voor aankomende week ingepland.
(31 maart t/m 4 april)
Het rooster hiervan staat in Magister.
De reguliere lessen vervallen deze week.

Schrijf de drie titels van de gelezen boeken op de lijst

Slide 4 - Diapositive

Theorie fictie
Uitleg begrippen 
Logboek bij de hand

Slide 5 - Diapositive

Theorie fictie
onderwerpen: 
  • realistisch of niet?
  • tijd
  • perspectief
  • hoofd- en bijpersoon
  • open en gesloten einde
  • spanning
  • mening vormen

Slide 6 - Diapositive

Realistisch of niet?

Slide 7 - Diapositive

Realistisch 

Een verzonnen verhaal kan lijken op de werkelijkheid.
Een verhaal is realistisch als het lijkt 
op de werkelijkheid, geloofwaardig is 
en geen fantasie-elementen bevat. 

Slide 8 - Diapositive

 Niet-realistisch
Als er dingen voorkomen in een verhaal die niet geloofwaardig zijn is het verhaal niet-realistisch.

Bijvoordbeeld wanneer er in een verhaal 
fantasie-elementen  voorkomen zoals: 
tovenaars, zombies en aliëns.  

Slide 9 - Diapositive

Tijd
Het verhaal speelt zich af in het heden of verleden
Bedenk in welke tijd het verhaal zich afspeelt.

Je moet ook uit kunnen leggen waarom je dat denkt. Bijvoorbeeld door een gebeurtenis te benoemen 
die voorkomt in het boek,


Slide 10 - Diapositive

Tijd
Je kijkt naar het verloop van een verhaal.
Het verhaal kan chronologisch geschreven zijn: 
De gebeurtenissen worden verteld in de volgorde waarin ze zich hebben afgespeeld.

Slide 11 - Diapositive

Tijd
Flashback: terugblik naar een eerdere gebeurtenis.
- Met een terugblik krijg je vaak meer informatie over de hoofdpersoon.
Flashforward: Sprong in de tijd naar een toekomstige  gebeurtenis.
- De schrijver geeft je alvast informatie over wat er nog komen zal. 

Slide 12 - Diapositive

Perspectief: Ik-verhalen en hij/zij-verhalen
Een verhaal kan vanuit verschillende standpunten geschreven worden:
Ik-perspectief.
Hij-/zij- perspectief 

Slide 13 - Diapositive

 Ik perspectief
Bij een verhaal met een ik-verteller vertelt de hoofpersoon het verhaal vanuit zijn of haar perspectief. Dit geeft een directe en persoonlijke ervaring .
 
Voorbeeld:
" Ik voelde de spanning in de lucht toen ik het podium opliep. Mijn handen trilden en mijn hart bonsde in mijn borst."

Slide 14 - Diapositive

  hij/zij-verhalen 
Bij de hij/zij-verteller wordt het verhaal verteld vanuit een derde persoon, die niet betrokken is bij de gebeurtenissen. Dit kan een meer objectieve kijk geven.

Voorbeeld:
"Hij voelde de spanning in de lucht toen zij eraan kwam. Zijn handen trilden en zijn hart bonsde in zijn borst."

Slide 15 - Diapositive

Hoofdpersoon en bijpersonen

Slide 16 - Diapositive

Hoofdpersoon 
Wordt uitgebreid beschreven: je leest wat deze persoon denkt en voelt.
Heeft meestal een probleem of opdracht in het verhaal dat opgelost of volbracht moet worden. 
Je weet wat hij/zij denkt en voelt; je weet wat zijn karaktereigenschappen zijn; hij/zij maakt een karakterontwikkeling door.


Slide 17 - Diapositive

 Bijpersonen
Je weet gedachten en gevoelens niet ;
ze veranderen niet;
ze reageren vaak voorspelbaar.

Slide 18 - Diapositive

Hoofdpersoon en bijpersoon
Je kunt personages beschrijven aan de hand van:


- Uiterlijk
- Kenmerken (geslacht, leeftijd, gezondheid, achtergrond)
- Karaktereigenschappen
- Relaties met andere personages



Slide 19 - Diapositive

Open en gesloten einde
Een verhaal kan op twee manieren eindigen:
gesloten
- het verhaalprobleem is opgelost
open
- sommige zaken zijn nog niet opgelost (zelf invullen)

Slide 20 - Diapositive

Spanning
Spanning ontstaat als het verhaal vragen bij je oproept over de afloop van een gebeurtenis, of over de afloop van het hele verhaal. 
Zulke vragen noemen we spanningsvragen
Ook kan het verhaal op een spannend moment 
worden afgebroken. Dit noem je een cliffhanger.

Slide 21 - Diapositive

Mening geven
Je mening geven doe je met beoordelingswoorden. Voorbeelden van beoordelingswoorden :
Spannend - saai
Duidelijk - verwarrend
Humoristisch - zonder humor
Veel actie - gebeurt weinig in
Verdrietig - vrolijk

Slide 22 - Diapositive

Mening geven
Over alle begrippen en gebeurtenissen in het boek moet je ook je mening kunnen geven. 
Vind je dat de auteur de begrippen goed heeft toegepast? 
Snap je de keuzes van de hoofdpersoon? 

Slide 23 - Diapositive

Argumenten
Je kunt een boek of film om verschillende redenen mooi of niet mooi vinden. 
Je kunt de volgende argumenten gebruiken:
Het onderwerp; je vindt het onderwerp wel of niet interessant
De personen; je vindt ze leuk, bijzonder, sympathiek of juist het omgekeerde.
De manier van schrijven; je waardeert het dat het verhaal realistisch of juist niet-realistisch is.
De bedoeling van een boek/film; die spreekt je wel of niet aan.
De gevoelens die je hebt bij een boek/film; je moet lachten, huilen, of je vindt het saai.

Slide 24 - Diapositive

Voorbereiden op het SE Fictie
Bekijk in het informatieblad de vragen die op de kaartjes staan.
Formuleer hierbij antwoorden

Slide 25 - Diapositive

Slide 26 - Diapositive

Slide 27 - Diapositive

Slide 28 - Diapositive