werkwoordspelling les 1 tot en met 3 (1.9 en 2.9)

Welkom!

Leg alvast klaar:
  • leerwerkboek deel A, schrift, pen
Les 1
1 / 51
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

Cette leçon contient 51 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 1 vidéo.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min

Éléments de cette leçon

Welkom!

Leg alvast klaar:
  • leerwerkboek deel A, schrift, pen
Les 1

Slide 1 - Diapositive

Startopdracht
  1. Als je een woord opschrijft, (onthouden) je het veel beter.
  2. Het onweer kwam eraan, want het (weerlichten vt) de hele tijd.
  3. Haarlem (verdedigen) zich in 1573 moedig, maar moest opgeven.
  4. Als je die woorden vaak (herhalen), zul je ze foutloos schrijven.
  5. Wie (leiden) jonge mensen op tot bioloog?
  6. Als je het eten goed kauwt, (verteren) het beter.
  7. Je zult later meer aan dit boek hebben dan je nu (vermoeden).
  8. Waarom (vermelden vt) je in je brief niet wat je wilt vragen?

Slide 2 - Diapositive

Startopdracht
  1. Als je een woord opschrijft, (onthoud) je het veel beter.
  2. Het onweer kwam eraan, want het (weerlichtte) de hele tijd. (vt)
  3. Haarlem (verdedigde) zich in 1573 moedig, maar moest opgeven.
  4. Als je die woorden vaak (herhaalt), zul je ze foutloos schrijven.
  5. Wie (leidt) jonge mensen op tot bioloog?
  6. Als je het eten goed kauwt, (verteert) het beter.
  7. Je zult later meer aan dit boek hebben dan je nu (vermoedt).
  8. Waarom (vermeldde) je in je brief niet wat je wilt vragen?

Slide 3 - Diapositive

Planning
  • Herhalen pv tegenwoordige tijd  en verleden tijd
  • Werkmoment
  • Afsluiten van de les 

Slide 4 - Diapositive

Uitleg persoonsvorm tt
  1. Hoe vind je de persoonsvorm?
  2. Wat zijn de regels bij tegenwoordige tijd?

Slide 5 - Diapositive

Uitleg persoonsvorm tt
  1. Hoe vind je de persoonsvorm?
  2. Wat zijn de regels bij tegenwoordige tijd?

  • Ik erbij, jij erachter => ik-vorm              ik fiets, loop jij
  • Rest enkelvoud => ik-vorm + t             jij wordt, hij bakt
  • Meervoud => hele werkwoord             wij / jullie / zij lopen

Slide 6 - Diapositive

Uitleg persoonsvorm vt
  1. Wat is een sterk en zwak werkwoord?
  2. Wat zijn de regels bij verleden tijd?

Slide 7 - Diapositive

Uitleg persoonsvorm vt
  1. Wat is een sterk en zwak werkwoord?
  2. Wat zijn de regels bij verleden tijd?

Sterk werkwoord: klank verandert tt naar vt, vd op -en
Zwak werkwoord: klank verandert niet van tt naar vt
Onregelmatig werkwoord: geen regels => weten

Slide 8 - Diapositive

Uitleg persoonsvorm vt
  1. Wat is een sterk en zwak werkwoord?
  2. Wat zijn de regels bij verleden tijd?

Sterke werkwoorden: zo kort en eenvoudig mogelijk
ik loop, ik liep; ik lees, ik las; ik help, ik hielp

Slide 9 - Diapositive

Uitleg persoonsvorm vt
Wat zijn de regels bij verleden tijd zwakke werkwoorden?

  1. Kijk naar de STAM van het werkwoord              fietsen
  2. taxi kofschip ja? => ik-vorm + te / ten                fietste
  3. taxi kofschip nee? => ik-vorm + de / den           rennen
                                                                                 rende

Slide 10 - Diapositive

Werkmoment
Les 1:

Maken 1.9: 3, 4, 5, 6
Kijk na en verbeter
Les 2:
Maken 2.9: 3, 4, 5, 6
Kijk na en verbeter






Slide 11 - Diapositive

Vooruitblik


Gebiedende wijs

Slide 12 - Diapositive

Welkom!

Leg alvast klaar:
  • leerwerkboek deel A, schrift, pen
Les 2

Slide 13 - Diapositive

Startopdracht
Maak tweetallen
Wissel steeds van beurt
Persoon 1 start
  1. zoek een zin en passend woord
  2. noteer alleen de combinatie op het blad dus 1A
  3. ga zitten
Nu is persoon 2 aan de beurt.

Stilte
1 persoon tegelijk

Slide 14 - Diapositive

Antwoorden
1 F    2 G   3 C    4 A
5 H   6 B    7 D   8 E

Hoe ging het?

Slide 15 - Diapositive

Startopdracht
Maak tweetallen
Wissel steeds van beurt
Persoon 1 start
  1. zoek een zin en passend woord
  2. noteer alleen de combinatie op het blad dus 1A
  3. ga zitten
Nu is persoon 2 aan de beurt.

Gebiedende wijs?

Slide 16 - Diapositive

Werkmoment
Les 1:

Maken 1.9: 3, 4, 5, 6
Kijk na en verbeter
Les 2:
Maken 2.9: 3, 4, 5, 6
Kijk na en verbeter






Slide 17 - Diapositive

Vooruitblik


Leesles
werken aan de fictietaak

Slide 18 - Diapositive

Welkom!

Leg alvast klaar:
  • leerwerkboek deel A, schrift, pen
  • leesboek
Les 3

Slide 19 - Diapositive

timer
30:00

Slide 20 - Diapositive

Werkmoment

Ga bezig met je fictietaak

Weektaak is afgerond?

Slide 21 - Diapositive

Vooruitblik


Verder met paragraaf 3.9 en 4.9

Slide 22 - Diapositive

Slide 23 - Vidéo

Planning
  • Herhalen pv verleden tijd (verlengde instructie)
  • Werkmoment
  • Afsluiten van de les 

Slide 24 - Diapositive

Werkmoment
persoonsvorm tegenwoordige tijd en verleden tijd
alle opdrachten groen => resetten

  • Maak digitaal van 1.9: 1-1b, 4, 5 en 10-1
  • Lastig? 
Oefen met Versterk Jezelf in de methode

Slide 25 - Diapositive

Lopen
A
sterk
B
zwak
C
onregelmatig

Slide 26 - Quiz

Fietsen
A
sterk
B
zwak
C
onregelmatig

Slide 27 - Quiz

Branden
A
sterk
B
zwak
C
onregelmatig

Slide 28 - Quiz

Willen
A
sterk
B
zwak
C
onregelmatig

Slide 29 - Quiz

Uitleg persoonsvorm vt
  1. Hoe vind je de persoonsvorm?
  2. Wat is een sterk en zwak werkwoord?
  3. Wat zijn de regels bij verleden tijd?

Sterke werkwoorden: zo kort en eenvoudig mogelijk
ik loop, ik liep; ik lees, ik las; ik help, ik hielp

Slide 30 - Diapositive

Uitleg persoonsvorm vt
Wat zijn de regels bij verleden tijd zwakke werkwoorden?

  1. Kijk naar de STAM van het werkwoord              fietsen
  2. taxi kofschip ja? => ik-vorm + te / ten                fietste
  3. taxi kofschip nee? => ik-vorm + de / den           rennen
                                                                                 rende

Slide 31 - Diapositive

Hij .................(branden) zijn vingers.
verleden tijd

Slide 32 - Question ouverte

.........(werken) jullie in het weekend?
verleden tijd

Slide 33 - Question ouverte

Jij .............. (reizen) altijd met de trein.
verleden tijd

Slide 34 - Question ouverte

Reizen
Stam: reiz
z niet in taxi kofschip => ik-vorm + de / den

Ik-vorm: ik reis
Jij reisde
Wij reisden

Slide 35 - Diapositive

Werkmoment
persoonsvorm tegenwoordige tijd en verleden tijd
alle opdrachten groen => resetten

  • Maak digitaal van 1.9: 1-1b, 4, 5 en 10-1
  • Lastig? 
Oefen met Versterk Jezelf in de methode

Slide 36 - Diapositive

Welkom!

Leg alvast klaar:
  • leesboek
  • iPad (dicht)
Les 3

Slide 37 - Diapositive

timer
10:00

Slide 38 - Diapositive

Planning
  • Stelling
  • Herhalen voltooid deelwoord (verlengde instructie)
  • Werkmoment
  • Afsluiten van de les 

Slide 39 - Diapositive

Stelling: welke is goed?

Het is vaak gebeurt dat je een persoonsvorm niet herkend.

Het is vaak gebeurd dat je een persoonsvorm niet herkend.

Het is vaak gebeurd dat je een persoonsvorm niet herkent.

Slide 40 - Diapositive

Werkmoment
persoonsvorm tegenwoordige tijd en verleden tijd / voltooid dw
alle opdrachten groen => resetten

  • Maak digitaal van 1.9: 1-1b, 4, 5 en 10-1
  • Maak digitaal van 3.9: 4
  • Cambiumned / werkwoordspelling / voltooid-onvoltooid dw
       oefening 2, 3 en 6. 

Slide 41 - Diapositive

Uitleg voltooid deelwoord
  1. Hoe vind je het voltooid deelwoord?
  2. Wat is een sterk en zwak werkwoord?
  3. Wat zijn de regels voor het voltooid deelwoord?


Slide 42 - Diapositive

Uitleg voltooid deelwoord
  1. Hoe vind je het voltooid deelwoord?

  • Voltooid deelwoord samen met hww (hebben/zijn/worden)
  • Begint vaak met ge-, be-, ver-, her-. 
  • Handeling is afgerond. Ik eet <=> Ik heb gegeten.

Slide 43 - Diapositive

Uitleg voltooid deelwoord
  1. Hoe vind je het voltooid deelwoord?
  2. Wat is een sterk en zwak werkwoord?

Sterk werkwoord => schrijf zoals je het hoort
Ik ben naar school gelopen. Hij is naar huis gegaan.

Zwak werkwoord => gebruik de regels


Slide 44 - Diapositive

Uitleg voltooid deelwoord
Wat zijn de regels voor het voltooid deelwoord?

  1. Kijk naar de STAM van het werkwoord      fietsen / rennen
  2. taxi kofschip ja? => ge- + ik-vorm + t        gefietst
  3. taxi kofschip nee? => ge- + ik-vorm + d    gerend

Of maak het langer in vt: wij fietsten, wij renden

Slide 45 - Diapositive

Uitleg persoonsvorm vt
Wat zijn de regels bij verleden tijd zwakke werkwoorden?

  1. Kijk naar de STAM van het werkwoord              fietsen
  2. taxi kofschip ja? => ik-vorm + te / ten                fietste
  3. taxi kofschip nee? => ik-vorm + de / den           rennen
                                                                                 rende

Slide 46 - Diapositive

Ik heb mijn knie .............. (schaven).

Slide 47 - Question ouverte

Wij hebben onze tas............ (pakken).

Slide 48 - Question ouverte

Het ongeluk is op de hoek ..... (gebeuren).

Slide 49 - Question ouverte

Zij is naar Zwolle .......... (verhuizen).

Slide 50 - Question ouverte

Werkmoment
persoonsvorm tegenwoordige tijd en verleden tijd / voltooid dw
alle opdrachten groen => resetten

  • Maak digitaal van 1.9: 1-1b, 4, 5 en 10-1
  • Maak digitaal van 3.9: 4
  • Cambiumned / werkwoordspelling / voltooid-onvoltooid dw
       oefening 2, 3 en 6. 

Slide 51 - Diapositive