Adverbs vs adjectives Part 2

WEEK 4
Lesson 2
1 / 23
suivant
Slide 1: Diapositive
EngelsMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 3

Cette leçon contient 23 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 1 min

Éléments de cette leçon

WEEK 4
Lesson 2

Slide 1 - Diapositive

Lesson Aim
  • Eind van de les heb je geoefend met leesvaardigheid.
  • Je weet het verschil  tussen Adverbs  & Adjectives. 
  • Je kunt Adverbs & Adjectives toepassen in zinnen. 
  • Je hebt geoefend met de alle woorden van unit 3. 

Slide 2 - Diapositive

Vorige les 
Explanation of adverbs and adjectives
Practice with listening exercises from unit 3.2
Quizlet

Slide 3 - Diapositive

Today's Lesson
  1. Finish reading exam of 2023 or 2019 
  2. Correct your questions
  3. 5 min break
  4. Grammar Recap and practice 
  5. Quizlet
  6. End of class

Slide 4 - Diapositive

Exam 2023/2019
Please finish your exam
Make questions 33rd till 40th.
you have 20 to accomplish this task.
We will correct your exam afterwards
 Done before the 20 min?
Please recap all grammar of unit 3 in your book.

Slide 5 - Diapositive

 Break Time !

Slide 6 - Diapositive

Adverbs
Dichtbij            Verweg

Slide 7 - Diapositive

Wat weet je nog over "Adverbs"(bijwoorden) & "Adjectives"(bijvoegelijk naamwoorden?

Slide 8 - Carte mentale

Hoe zat het weer? 

Slide 9 - Diapositive

Choose the right answer
He is wearing ____ pants.
A
Old
B
Oldest
C
Older
D
Eldery

Slide 10 - Quiz

Quiz Time - Part 1
Choose the correct answer

Slide 11 - Diapositive

Choose the right answer
It is _____ hot today!
A
Real
B
Really
C
Reallest
D
So real

Slide 12 - Quiz

Choose the correct answer
The garden is .....
A
Beautiful bijwoord
B
Beautifully bijwoord
C
Beautifully Bijv. naamwoord
D
Beautiful Bijv. naamwoord

Slide 13 - Quiz

Choose the correct answer
She put her glasses down ...
A
careful Bijv. naamwoord
B
carefully Bijwoord
C
Carefully Bijv. naamwoord
D
Carfull Bijwoord

Slide 14 - Quiz

Wat is de correcte vorm van het bijwoord van fantastic?
A
fantasticaly
B
fantasticly
C
fantastically
D
fantasticle

Slide 15 - Quiz

Quiz Time - Part 2
Fill in the sentences using the correct adverb
or adjective

Slide 16 - Diapositive

The bus driver was _____ injured. (serious)

Slide 17 - Question ouverte

Robin looks _____. What's the matter with him? (sad)

Slide 18 - Question ouverte

The weather is _____ today. (terrible)

Slide 19 - Question ouverte

The dog barks _____. (loud)

Slide 20 - Question ouverte

Quizlet Live !


Go to Quizlet live and wait for the classcode.

Slide 21 - Diapositive

End of class
Je heb kunnen oefenen met leesvaardigheid.
Je weet het verschil tussen Adverbs & Adjectives.
Je hebt geoefend met het toepassen van Adverbs & Adjectives  een in zin.
Je hebt geoefend met de woordjes van unit 3. 

Slide 22 - Diapositive

Heb je het gevoel dat je adjectives en adverbs beheerst.
A
Ja, deze quiz en opdrachten waren makkie
B
Nee, ik moet nog meer leren
C
Het was te doen, maar nog een beetje extra oefenen kan geen kwaad
D
Ik snap er helemaal niks van

Slide 23 - Quiz