Cette leçon contient 54 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 8 vidéos.
La durée de la leçon est: 45 min
Éléments de cette leçon
Wet van actie en reactie
Slide 1 - Diapositive
Kracht
Derde wet van Newton
Slide 2 - Diapositive
De derde wet van Newton
Als voorwerp A een kracht uitoefent op voorwerp B, dan oefent voorwerp B een even grote maar tegengestelde kracht op voorwerp A uit.
Slide 3 - Diapositive
Slide 4 - Vidéo
Slide 5 - Vidéo
krachten komen altijd in paren voor
Zonder een tegenkracht kom je niet vooruit.
Auto met de wegdek.
Vliegtuig met lucht.
Zwemmer met water.
Rennen met grond.
Slide 6 - Diapositive
Slide 7 - Diapositive
Slide 8 - Diapositive
Slide 9 - Diapositive
Slide 10 - Diapositive
Slide 11 - Diapositive
Slide 12 - Vidéo
Slide 13 - Vidéo
Slide 14 - Vidéo
Derde wet van Newton
Slide 15 - Diapositive
Slide 16 - Vidéo
A geeft B een kopstoot. Op welk hoofd werkt de grootste kracht?
A
Op het hoofd van A.
B
Op het hoofd van B.
C
Op beide hoofden even groot.
D
Dat kun je niet weten.
Slide 17 - Quiz
Wisselwerking van krachten
De muur duwt terug!
Krachten hebben 3 eigenschappen
1 eigenschap is hetzelfde
2 eigenschappen zijn anders
Krachten werken ALTIJD in paren.
Slide 18 - Diapositive
Wisselwerking
Krachten treden altijd op in paren.
De twee krachten zijn exact even groot maar werken in tegenovergestelde en grijpen aan op verschillende voorwerpen.
Slide 19 - Diapositive
Derde wet van Newton
Wanneer er een situatie is van twee voorwerpen waarbij op het ene voorwerp een kracht werkt, zal het andere voorwerp een gelijke kracht in de tegengestelde richting ondervinden.
Dit is de derde wet van Newton:
De kracht van voorwerp A op voorwerp B geeft een tegengestelde gelijkwaardige kracht van voorwerp B op voorwerp A.
In formulevorm:
waarin:
FA→B = kracht van voorwerp A op voorwerp B (N)
FB→A = kracht van voorwerp B op voorwerp A (N)
Of laat het de astronaut op de volgende sheet aan je uitleggen.
FA→B=−FB→A
Slide 20 - Diapositive
Slide 21 - Vidéo
01:43
Welk 'object' zal een hogere versnelling krijgen?
A
De basketbal
B
De astronaut
C
Beide hebben een gelijke versnelling
D
Antwoord staat er niet bij
Slide 22 - Quiz
02:06
Welke astronaut zal een hogere versnelling krijgen?
A
De astronaut links in beeld
B
De astronaut rechts in beeld
C
Beide zullen dezelfde versnelling krijgen
D
Antwoord staat er niet bij
Slide 23 - Quiz
Voorbeeld I: astronauten
Laten we ook even wiskundig stil staan bij de experimenten in het ISS. Laten we het eerste voorbeeld, de basketbal en de astronaut, even voor ons halen. We weten dat de derde wet van Newton luidt als volgt:
Toepassen van de tweede wet van Newton geeft:
De min valt nu weg, omdat we anders een negatieve versnelling uitrekenen en dat zou wijzen op een vertraging.
In de conclusie halen we het min-teken weer terug.
Wikipedia vertelt dat de astronaut in kwestie, Mark vande Hei, ongeveer 110 kg weegt. Een typische basketbal weegt 623,7 g. Stel dat Mark een versnelling kreeg van 5,0 cm/s², wat was dan de versnelling van de basketbal?
De versnelling van de basketbal was 8,8 m/s² in tegengestelde richting (vanwege de min aan het begin!)
In de onderstaande afbeelding zien we persoon die zichzelf met behulp van een touw richting een muur trekt. De persoon oefent een spierkracht op de muur uit die naar rechts werkt. Als gevolg oefent de muur een kracht op de persoon uit die naar links werkt. Het is deze kracht die ervoor zorgt dat de persoon richting de muur beweegt.
Dat deze krachten altijd even groot zijn, zien we goed als twee personen twee weegschalen tegen elkaar aan duwen (zie de onderstaande afbeelding). Hoe hard de personen ook duwen, beide weegschalen zullen altijd dezelfde waarde aangeven. Dit geldt zelfs in de onderstaande situatie waarbij de ene persoon actief duwt en de andere persoon de weegschaal alleen stil probeert te houden. De derde wet van Newton geldt altijd.
Slide 25 - Diapositive
Voorbeeld III: raket
De derde wet van Newton ligt ook aan de basis van raketaandrijving. Een vliegtuig stijgt op doordat de vleugels van het vliegtuig een kuchtdruk onder de vleugels ondervinden. In de ruimte is echter geen lucht. Een raket drijft zichzelf voor door gas weg te schieten dat ontstaat bij explosies van brandstof in de motor.
Doordat de raket een kracht uitoefent op dit gas, oefent het gas ook weer een kracht uit op de raket. Het is door deze kracht dat de raket vooruit gaat.
Hetzelfde effect zien we als we een opgeblazen ballon loslaten. De ballon perst lucht naar buiten en als gevolg oefent de lucht een kracht uit waarmee de ballon naar voren gaat (zie de onderstaande afbeelding).
Slide 26 - Diapositive
Voorbeeld IV: wandelen
We gebruiken de derde wet ook tijdens het lopen. Om vooruit te komen zetten we ons af tegen de grond. Dit doen we door een spierkracht naar achteren uit te oefenen. Als gevolg levert de grond een wrijvingskracht naar voren. Het is door deze kracht dat we vooruit bewegen.
Slide 27 - Diapositive
Voorbeeld IV: wandelen
Laten we ook even wiskundig stil staan bij het wandelen. Elke keer als je je afzet, geef je de aarde een kracht, en die reageert weer terug met een kracht:
Toepassen van de tweede wet van Newton geeft:
De min valt nu weg, omdat we anders een negatieve versnelling uitrekenen en dat zou wijzen op een vertraging.
In de conclusie halen we het min-teken weer terug.
Als je 70 kg weegt, en je krijgt een versnelling van 1,0 m/s², wanneer je je afzet. Wat is dan de versnelling van de aarde?
De versnelling van aarde is 0,000000000000000000000012 m/s² in tegengestelde richting (vanwege de min aan het begin!). Verwaarloosbaar klein dus.
Fjij→aarde=−Faarde→jij
mjij⋅ajij=maarde⋅aaarde
Fjij→aarde=−Faarde→jij
→mjij⋅ajij=maarde⋅aaarde
→aaarde=maardemjij⋅ajij
→aaarde=5,972⋅102470⋅1,0
→aaarde=1,2⋅10−23m⋅s−2
→aaarde=12ym⋅s−2(y=yocto)
Slide 28 - Diapositive
Slide 29 - Vidéo
Welke kracht is groter?
A
De hand op de persoon.
B
De persoon op de hand.
C
Deze zijn even groot.
D
Dit weet je niet.
Slide 30 - Quiz
Actie en reactie (kracht)
De kracht van a op b is even groot als de kracht van b op a.
Fa−b=−Fb−a
Slide 31 - Diapositive
Frank fietst met een constant snelheid van 8 m/s. De spierkracht die hij levert is 500 N. Hoe groot is de weerstandskracht?
A
0 N
B
1350 N
C
500 N
D
850 N
Slide 32 - Quiz
Bij het schieten werkt er een kracht van 5 N op de kogel. Massa kogel = 2 gram, massa geweer = 2 kg. Welke versnelling krijgen beide voorwerpen?
A
B
C
D
Slide 33 - Quiz
Werk dit?
A
Ja.
B
Nee.
Slide 34 - Quiz
Slide 35 - Diapositive
Slide 36 - Diapositive
Slide 37 - Diapositive
Slide 38 - Diapositive
Slide 39 - Diapositive
Slide 40 - Diapositive
Werkt dit?
A
Ja.
B
Nee.
Slide 41 - Quiz
Slide 42 - Diapositive
Slide 43 - Diapositive
Werkt dit?
A
Ja.
B
Nee.
Slide 44 - Quiz
Slide 45 - Diapositive
Slide 46 - Diapositive
Slide 47 - Diapositive
Slide 48 - Diapositive
Slide 49 - Diapositive
Slide 50 - Diapositive
Slide 51 - Diapositive
Werkt dit?
A
Ja.
B
Nee.
C
Hangt er van af.
Slide 52 - Quiz
Slide 53 - Diapositive
Wisselwerking van krachten
De wetten van Newton
1 . De eerste wet : de traagheidswet
2 . De tweede wet : kracht verandert de snelheid
3 . De derde wet : actie is reactie
Een voorwerp waarop geen resulterende kracht werkt, is in rust of beweegt zich rechtlijnig met constante snelheid voort. Als er geen resulterende kracht op een voorwerp inwerkt, kan er geen snelheidsverandering van dat voorwerp optreden.