V5 leesvaardigheid - de beschouwing

1 / 20
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

Cette leçon contient 20 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min

Éléments de cette leçon

Slide 1 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Leerdoelen
Je kunt:
- precies en concreet vaststellen wat de boodschap van de tekst is;
- logische afleidingen maken;
- conclusies trekken uit een tekst op basis van informatie in de tekst.
*Leerdoelen zijn RTTI geformuleerd (in leerlingentaal).

Slide 2 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Hoe lees je een tekst?
1. Je leest de titel, de inleiding en het slot.
Je kunt dan waarschijnlijk de hoofgedachte en de tekstsoort bepalen. En zo kun je ook je voorkennis activeren.
2. Je leest de eerste zin van elke alinea (en eventueel de laatste zin).
Je kunt dan de rode draad (de tekstlijn) bepalen.
3. Je leest de tekst nauwkeurig.

Slide 3 - Diapositive

4. Inclusieve didactiek
De docent past een inclusieve didactiek toe door de interactie, eventueel in de thuistalen, in de klas te stimuleren om tot beter begrip van de lesstof te komen. De docent creëert een contextrijke leeromgeving door actief de culturele achtergronden van leerlingen bij de lesinhoud te betrekken. Hierin is de docent zich bewust van de verschillen in de klas. Door flexibel of heterogeen te differentiëren blijft iedereen bij de les betrokken. Gedurende de les reageert de docent positief en proactief op gedrag en maakt het daarmee makkelijker voor leerlingen om gewenst gedrag te laten zien.

Tekstsoort en doel
1. het betoog - overtuigen
standpunt en argumentatie
2. de beschouwing - informeren, beschouwen, opiniëren
allerlei meningen over, aspecten van een bepaald verschijnsel
3. de uiteenzetting - informeren
controleerbare feiten

Slide 4 - Diapositive

4. Inclusieve didactiek
De docent past een inclusieve didactiek toe door de interactie, eventueel in de thuistalen, in de klas te stimuleren om tot beter begrip van de lesstof te komen. De docent creëert een contextrijke leeromgeving door actief de culturele achtergronden van leerlingen bij de lesinhoud te betrekken. Hierin is de docent zich bewust van de verschillen in de klas. Door flexibel of heterogeen te differentiëren blijft iedereen bij de les betrokken. Gedurende de les reageert de docent positief en proactief op gedrag en maakt het daarmee makkelijker voor leerlingen om gewenst gedrag te laten zien.

Betekenis van woorden
1. Betekenis halen uit de context:
- synoniem
- omschrijving
- voorbeeld
- een woord met de tegengestelde betekenis
2. Herkenning van een deel van het woord
3. Woordenboek

Slide 5 - Diapositive

4. Inclusieve didactiek
De docent past een inclusieve didactiek toe door de interactie, eventueel in de thuistalen, in de klas te stimuleren om tot beter begrip van de lesstof te komen. De docent creëert een contextrijke leeromgeving door actief de culturele achtergronden van leerlingen bij de lesinhoud te betrekken. Hierin is de docent zich bewust van de verschillen in de klas. Door flexibel of heterogeen te differentiëren blijft iedereen bij de les betrokken. Gedurende de les reageert de docent positief en proactief op gedrag en maakt het daarmee makkelijker voor leerlingen om gewenst gedrag te laten zien.

Soorten vragen op basis van vorm 
1. Citeervragen
2. Meerkeuzevragen
3. Open vragen (kort)
4. Open vragen (uitgebreid)
5. Schematische vragen

Slide 6 - Diapositive

4. Inclusieve didactiek
De docent past een inclusieve didactiek toe door de interactie, eventueel in de thuistalen, in de klas te stimuleren om tot beter begrip van de lesstof te komen. De docent creëert een contextrijke leeromgeving door actief de culturele achtergronden van leerlingen bij de lesinhoud te betrekken. Hierin is de docent zich bewust van de verschillen in de klas. Door flexibel of heterogeen te differentiëren blijft iedereen bij de les betrokken. Gedurende de les reageert de docent positief en proactief op gedrag en maakt het daarmee makkelijker voor leerlingen om gewenst gedrag te laten zien.

Soorten vragen op basis van inhoud 
1. Tekstsoort, schrijfdoel
2. Hoofdgedachte, samenvatten
3. Tekststructuur
4. Functies van tekstgedeelten
5. Betekenis van een tekst(gedeelte)
6. Argumentatie

Slide 7 - Diapositive

4. Inclusieve didactiek
De docent past een inclusieve didactiek toe door de interactie, eventueel in de thuistalen, in de klas te stimuleren om tot beter begrip van de lesstof te komen. De docent creëert een contextrijke leeromgeving door actief de culturele achtergronden van leerlingen bij de lesinhoud te betrekken. Hierin is de docent zich bewust van de verschillen in de klas. Door flexibel of heterogeen te differentiëren blijft iedereen bij de les betrokken. Gedurende de les reageert de docent positief en proactief op gedrag en maakt het daarmee makkelijker voor leerlingen om gewenst gedrag te laten zien.

Theorie uit Kern handboek
Module Communicatie:
2. Onderwerp en hoofdgedachte, blz. 56/57
3. Tekstsoorten, blz. 58/59
4. Inleiding, kern slot, blz. 60/61
5. Tekststructuur, blz. 62/63
6. Alinea's en verbanden, blz. 64/65

Slide 8 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Aan de slag
Vragen over algemeen begrip:
1. Waar geeft de tekst vooral informatie over?
2. Welke woorden/begrippen zijn daarbij belangrijk?

Slide 9 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Aan de slag
Vragen over belangrijke details en woordenschat:
1. Waarover wordt er verteld en wordt er iets uitgelegd?
2. Worden er cijfers/jaartallen genoemd? En wat betekenen deze?
3. Welke voorbeelden ondersteunen de uitleg?
4. Wat doet de auteur om de informatie over te brengen (herhaling, vragen, cursivering)?

Slide 10 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Aan de slag
Vragen over tekststructuur en verbanden in de tekst:
1. Welke structuur herken je in de tekst?
2. Zijn er signaalwoorden die hierbij helpen?
3. Kun je de tekst in een schema zetten?
- Wordt er een beschrijving gegeven? Worden er details, feiten achter elkaar genoemd? Worden er problemen en oplossingen genoemd? Of oorzaken en gevolgen? Worden er zaken met elkaar vergeleken?

Slide 11 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Aan de slag
Vragen over de bedoeling van de auteur:
1. Met welke bedoeling heeft de auteur de tekst geschreven?
2. Wat is de mening van de auteur?

Slide 12 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Aan de slag
Vragen over opinies, argumenten en verbanden buiten de tekst:
1. Wat is de mening van de auteur?
2. Wat vind je er zelf van?

Slide 13 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Wat vind je nog lastig? Waarover heb je nog uitleg nodig?

Slide 14 - Question ouverte

Cet élément n'a pas d'instructions

Wat gaat goed?

Slide 15 - Question ouverte

Cet élément n'a pas d'instructions

Stijl
Handboek blz. 156 t/m 159
- Beeldspraak
- Stijlfiguren
1. herhaling en opsomming
2. tegenstelling en ontkenning
3. overdrijving en nuancering
4. spot
5. woordspeling

Slide 16 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Antwoord formuleren

Slide 17 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Meerkeuzevraag

Slide 18 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Slide 19 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Tips voor concentratie tijdens het lezen.

Slide 20 - Question ouverte

Cet élément n'a pas d'instructions