Tekststructuren H3 en H5

Doelen
- Je kunt in eigen woorden formuleren wat vaste tekststructuren zijn.
- Je kunt de meest voorkomende vaste tekststructuren herkennen in een tekst.


Dezen doelen helpen jou om de opbouw van een tekst beter te begrijpen

Taaldoel: je kunt jouw antwoorden formuleren in lopende hele zinnen. 

1 / 26
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

Cette leçon contient 26 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 60 min

Éléments de cette leçon

Doelen
- Je kunt in eigen woorden formuleren wat vaste tekststructuren zijn.
- Je kunt de meest voorkomende vaste tekststructuren herkennen in een tekst.


Dezen doelen helpen jou om de opbouw van een tekst beter te begrijpen

Taaldoel: je kunt jouw antwoorden formuleren in lopende hele zinnen. 

Slide 1 - Diapositive

De meeste teksten hebben een inleiding, middenstuk en een slot. 
Ze zijn vaak opgebouwd volgens een vaste structuur.

Slide 2 - Diapositive

Vaste tekststructuren (blz.254)
  1. vroeger-en-nu-structuur
  2.  voor-en-nadelenstructuur
  3.  bewering-en-argumentstructuur
  4.  probleem-en-oplossingsstructuur
  5. verschijnsel-en-verklaringsstructuur
  6. verschijnsel-en-besprekingsstructuur

Slide 3 - Diapositive

welke structuur?
  • een artikel met de titel "Wat kunnen we doen om Coronabesmettingen op scholen te voorkomen?"
  1. vroeger-en-nu-structuur
  2.  voor-en-nadelenstructuur
  3.  bewering-en-argumentstructuur
  4.  probleem-en-oplossingsstructuur
  5. verschijnsel-en-verklaringsstructuur
  6. verschijnsel-en-besprekingsstructuur

Slide 4 - Diapositive

"Waarom zijn er in de USA relatief veel Coronaslachtoffers?" 
  1. vroeger-en-nu-structuur
  2.  voor-en-nadelenstructuur
  3.  bewering-en-argumentstructuur
  4.  probleem-en-oplossingsstructuur
  5. verschijnsel-en-verklaringsstructuur
  6. verschijnsel-en-besprekingsstructuur

Slide 5 - Diapositive

"Hoe ging men in het verleden om met virussen en kunnen we daar iets van leren?"
  1. vroeger-en-nu-structuur
  2.  voor-en-nadelenstructuur
  3.  bewering-en-argumentstructuur
  4.  probleem-en-oplossingsstructuur
  5. verschijnsel-en-verklaringsstructuur
  6. verschijnsel-en-besprekingsstructuur

Slide 6 - Diapositive

"Watervervuiling"
  1. vroeger-en-nu-structuur
  2.  voor-en-nadelenstructuur
  3.  bewering-en-argumentstructuur
  4.  probleem-en-oplossingsstructuur
  5. verschijnsel-en-verklaringsstructuur
  6. verschijnsel-en-besprekingsstructuur

Slide 7 - Diapositive

"Maak gebruik van kennis over het kinderbrein"
  1. vroeger-en-nu-structuur
  2.  voor-en-nadelenstructuur
  3.  bewering-en-argumentstructuur
  4.  probleem-en-oplossingsstructuur
  5. verschijnsel-en-verklaringsstructuur
  6. verschijnsel-en-besprekingsstructuur

Slide 8 - Diapositive

"Veel realistischer"
  1. vroeger-en-nu-structuur
  2.  voor-en-nadelenstructuur
  3.  bewering-en-argumentstructuur
  4.  probleem-en-oplossingsstructuur
  5. verschijnsel-en-verklaringsstructuur
  6. verschijnsel-en-besprekingsstructuur

Slide 9 - Diapositive

Welke tekststructuur herken je?
  1. vroeger-en-nu-structuur
  2.  voor-en-nadelenstructuur
  3.  bewering-en-argumentstructuur
  4.  probleem-en-oplossingsstructuur
  5. verschijnsel-en-verklaringsstructuur
  6. verschijnsel-en-besprekingsstructuur

Slide 10 - Diapositive

Welke tekststructuur herken je?
  1. vroeger-en-nu-structuur
  2.  voor-en-nadelenstructuur
  3.  bewering-en-argumentstructuur
  4.  probleem-en-oplossingsstructuur
  5. verschijnsel-en-verklaringsstructuur
  6. verschijnsel-en-besprekingsstructuur

Slide 11 - Diapositive

Welke tekststructuur herken je?
  1. vroeger-en-nu-structuur
  2.  voor-en-nadelenstructuur
  3.  bewering-en-argumentstructuur
  4.  probleem-en-oplossingsstructuur
  5. verschijnsel-en-verklaringsstructuur
  6. verschijnsel-en-besprekingsstructuur

Slide 12 - Diapositive

Welke tekststructuur herken je door tijdsaanduidingen in de tekst?
A
Vroeger-en-nu- (toekomst) structuur
B
Bewering -en-argumentstructuur
C
Voor/nadelenstructuur
D
probleem-en-oplossingstructuur

Slide 13 - Quiz

Welke tekststructuur eindigt met de beste oplossing?
A
Vraag-antwoordstructuur
B
Probleem-oplossingsstructuur
C
bewering-en-argumentstructuur
D
Verklaringsstructuur

Slide 14 - Quiz

Probleem- oplossingsstructuur
Verklaringsstructuur
Vroeger-en-nu-structuur
Middenstuk: kenmerken/voorbeelden, verklaring(en), oorzaken en reden(en) 
Middenstuk: situatie vroeger, situatie nu, ontwikkeling van vroeger naar nu
Middenstuk: gevolgen, oorzaken en oplossingen
Inleiding: probleem (+gevolgen) 
Inleiding: introductie onderwerp
Inleiding: verschijnsel
Slot: conclusie of voorspelling situatie toekomst
Slot: samenvatting/conclusie
Slot: de beste oplossing

Slide 15 - Question de remorquage

probleem-oplossingsstructuur
verklaringsstructuur
vroeger-en-nu-structuur
oplossingen
oorzaken
probleem
verschijnsel
voorbeelden
Introductie onderwerp
de beste oplossing
situatie vroeger
kenmerken/ voorbeelden
situatie nu
voorspelling

Slide 16 - Question de remorquage

Een tekst waarin wordt uitgelegd hoe het broeikaseffect is ontstaan, is een tekst met een ....
A
verklaringsstructuur
B
voor- en nadelenstructuur
C
probleem- oplossingsstructuur
D
bewering-en-argumentstructuur

Slide 17 - Quiz

Welke structuur bevat oorzaken in het middenstuk?
(meer dan één antwoord mogelijk)
A
argumentatiestructuur
B
probleem-oplossingsstructuur
C
verklaringsstructuur
D
voor- en nadelenstructuur

Slide 18 - Quiz

Hoe noem je een tekststructuur waarbij er in de inleiding een verschijnsel wordt genoemd en in de rest wordt uitgelegd waarom dat verschijnsel plaatsvindt/bestaat?
A
probleem/oplossing-structuur
B
verklaringsstructuur
C
verleden/heden (toekomst)structuur
D
aspectenstructuur

Slide 19 - Quiz

Een tekst met als onderwerp: 'Carnaval door de eeuwen heen' heeft waarschijnlijk een...
A
vroeger-en-nu-structuur
B
verklaringsstructuur
C
probleem-oplossings structuur

Slide 20 - Quiz



Bij een probleem-oplossingsstructuur wordt in het slot de beste oplossing benoemd.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 21 - Quiz

Wat staat er in het middenstuk van een probleem/oplossingsstructuur?
A
situatie vroeger
B
probleem
C
verklaringen
D
gevolgen, oorzaken en oplossingen

Slide 22 - Quiz

Verklaringsstructuur
-- inleiding: bepaald verschijnsel
-- kern: kenmerken/ verklaringen/ voorbeelden
-- slot: ?
Wat moet er op de plaats van het vraagteken staan?
A
samenvatting/conclusie
B
eigen mening
C
het probleem
D
vraagstelling

Slide 23 - Quiz

Bij een verklaringsstructuur vind je in de inleiding
A
een standpunt
B
een probleem
C
een bepaald verschijnsel
D
een onderwerp, vraag of stelling

Slide 24 - Quiz

Bij welk vak vind je hoogstwaarschijnlijk het vaakst verklaringsstructuren in het lesboek?
A
Spaans
B
biologie
C
Engels
D
geschiedenis

Slide 25 - Quiz

Welke tekststructuur herken je door tijdsaanduidingen in de tekst?
A
Vroeger-en-nu-structuur
B
Argumentatiestructuur
C
Voor/nadelenstructuur
D
Aspectenstructuur

Slide 26 - Quiz