M4 EINDEXAMEN

CSE
NEDERLANDS

2023-2024
1 / 52
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

In deze les zitten 52 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

CSE
NEDERLANDS

2023-2024

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Wanneer is het
EXAMEN NEDERLANDS?
A
dinsdag 14 mei om 9:00 uur
B
woensdag 15 mei om 13:30 uur
C
donderdag 16 mei om 13:30 uur
D
vrijdag 17 mei om 9:00 uur

Slide 3 - Quizvraag

Hoelang duurt het
EXAMEN NEDERLANDS?
A
180 minuten
B
100 minuten
C
120 minuten
D
146 minuten

Slide 4 - Quizvraag

Slide 5 - Tekstslide

Wat neem je mee naar het examen Nederlands?

Slide 6 - Open vraag

Uit welke ONDERDELEN bestaat het
EXAMEN NEDERLANDS?

Slide 7 - Open vraag

Welke SOORTEN TEKSTEN kom je tegen op het EXAMEN NEDERLANDS?

Slide 8 - Open vraag

LEESVAARDIGHEID

Slide 9 - Tekstslide

ONDERWERP

Het onderwerp geeft antwoord op de vraag:

Waar gaat de tekst over?

Je gebruikt hier één of een paar woorden voor.

Slide 10 - Tekstslide

HOOFDGEDACHTE

De hoofdgedachte beschrijf je in één zin.

De zin geeft precies de bedoeling van een tekst/schrijver  weer.



Slide 11 - Tekstslide

Het onderwerp van
HET DAGBOEK VAN ANNE FRANK IS?
A
een ondergedoken Joods meisje beschrijft haar gevoelens
B
oorlog of onderduiken

Slide 12 - Quizvraag

Wat moet je doen, als je het antwoord op een meerkeuze vraag niet weet tijdens het examen?
A
je moeder appen
B
de hele tekst met je buurman bespreken
C
een hulplijn bellen
D
altijd gokken!

Slide 13 - Quizvraag

Welk type woorden moet je zeker leren?
A
Signaalwoorden
B
Werkwoorden
C
Verwijswoorden
D
Functiewoorden

Slide 14 - Quizvraag

Tekst 3 is altijd een advertentie. Welk tekstdoel heeft een advertentie?

Slide 15 - Open vraag

Sleep de verbanden naar de juiste signaalwoorden
timer
1:00
maar, daarentegen
Bijvoorbeeld, neem nou
Ten eerste, als laatste, ABC
Eerst, vervolgens, daarna
Doordat, waardoor
Tijdsvolgorde
Oorzaak- gevolg
Opsomming
Tegenstelling
Voorbeeld

Slide 16 - Sleepvraag

Disney neemt afscheid van de klassieke eigenschappen van de sprookjesprinses.

Rapunzel
afscheid disneyprinsessen
onderwerp
deelonderwerp
hoofdgedachte

Slide 17 - Sleepvraag

Sleep het juiste tekstdoel naar het juiste plaatje.

Informeren
Amuseren

Activeren
Overtuigen

Slide 18 - Sleepvraag

Welke vier tekstdoelen kun je onderscheiden?

Slide 19 - Open vraag

Welk tekstdoel heeft het artikel met de titel: 'Scholen moeten huiswerkvrij zijn'?

Slide 20 - Open vraag

Wat is een kernzin?

Slide 21 - Open vraag

Waar vind je de kernzin in een alinea?

Slide 22 - Open vraag


SIGNAALWOORDEN

Slide 23 - Tekstslide

Welke signaalwoorden ken jij al?

Slide 24 - Open vraag

Slide 25 - Tekstslide

Wat geeft een signaalwoord aan?

Slide 26 - Open vraag

Verbeter de fout in deze zin:
'De reden dat ik u schrijf, is omdat ik een vraag heb.'

Slide 27 - Open vraag

Verbeter de volgende zin:
'Graag ontvang ik spoedig een reactie terug.'

Slide 28 - Open vraag

Wat is juist?
A
Ik zit op Ruivenmavo
B
Ik zit op de 2college Ruivenmavo
C
Ik zit op het Ruiven mavo
D
Ik zit op 2College Ruivenmavo

Slide 29 - Quizvraag

Op het CE telt spelling mee.
A
Ja, maar alleen bij de schrijfopdracht
B
Nee, telt niet mee
C
Ja, in het hele CE
D
Nee, dat was vroeger wel maar nu niet meer.

Slide 30 - Quizvraag

Hoeveel punten kun je ONGEVEER halen op het CE?
A
30
B
40
C
50
D
60

Slide 31 - Quizvraag

Hoeveel punten daarvan zijn voor de schrijfopdracht?
A
9
B
10
C
13
D
15

Slide 32 - Quizvraag

Welk onderdeel op het CE is voor jou het lastigst?
Lange teksten
Advertentie
Schrijfopdracht
Tijdsdruk
Anders, namelijk....

Slide 33 - Poll

Wat is CITEREN?

Slide 34 - Open vraag

Op welke onderdelen word jij beoordeeld bij het onderdeel schrijfvaardigheid?

Slide 35 - Open vraag

LEESVAARDIGHEID

Slide 36 - Tekstslide

HOE PAK JIJ EEN TEKST AAN?
Start je met het lezen van de tekst
of
start je juist met het globaal lezen van de vragen?

Welke manier brengt jou succes?

Slide 37 - Tekstslide

SCHRIJFVAARDIGHEID

Slide 38 - Tekstslide

Welke schrijfopdracht kan je op het examen verwachten?

Slide 39 - Open vraag

Slide 40 - Tekstslide

Slide 41 - Tekstslide

Op welke onderdelen word jij beoordeeld bij het onderdeel schrijfvaardigheid?

Slide 42 - Open vraag

Slide 43 - Tekstslide

Welke 'driedeling' heeft een goede tekst?

Slide 44 - Open vraag

Wat is de betekenis van:
AANLEIDING?
A
de leiding aan iemand geven
B
leiding langs het aanrecht
C
botsing met twee auto's
D
reden om iets te gaan doen

Slide 45 - Quizvraag

Wat is de betekenis van:
CITEREN?
A
een verteringsproces
B
maisplanten op gelijke hoogte afsnijden
C
letterlijk een zin uit een tekst opschrijven
D
Zinnen in de juiste volgorde zetten

Slide 46 - Quizvraag

Wat is de betekenis van:
blijken?
A
iets goed bekijken
B
duidelijk zijn/worden
C
het lijkt net echt
D
iets zoeken

Slide 47 - Quizvraag


Wat betekent het woord woordgroep?
met welke woordgroep wordt hetzelfde bedoeld als 'consumeren'
A
een zin die je moet citeren
B
een zin in een alinea
C
de hoofdgedachte in het slot
D
twee of meer woorden die in een zin naast elkaar staan

Slide 48 - Quizvraag

Wat is de betekenis van:
CONVENTIES?
A
afspraken over welke schrijfregels je moet gebruiken
B
afspraken over spellingsregels
C
afspraken over grammaticaregels
D
afspraken over mensenrechten

Slide 49 - Quizvraag

Wat is de betekenis van:
NUANCEREN
A
`waar een tekst over gaat
B
hoe een tekst inelkaar zit
C
een bewering afzwakken door er anders naar te kijken
D
een ander woord voor een tekst begrijpen

Slide 50 - Quizvraag

Wat is de betekenis van:
IEMAND OVERHALEN?
A
iemand iets ook laten vinden
B
iemand tot handelen aanzetten

Slide 51 - Quizvraag

Slide 52 - Tekstslide