Met name het graan en hout bleken van cruciaal belang te zijn voor ontwikkeling van de Republiek tijdens de Gouden Eeuw. Deze producten werden gehaald uit het Oostzeegebied om in Amsterdam verhandeld te worden.
In de laaggelegen gebieden in Holland en Zeeland was graanverbouw gedurende en na de Middeleeuwen complex, beter gezegd: nagenoeg onmogelijk, vanwege de wateroverlast. De grond was te vochtig, werd dan wel droog gepompt, maar klinkte daardoor in. Door de inklinking daalde de grond verder, waardoor het gebied nog kwetsbaarder werd voor overstromingen. Daarom schakelden veel boeren in Holland, Zeeland en andere kustgebieden over op veeteelt of specialiseerden zich in de productie van bijvoorbeeld hennep of vlas. Ook aan vlees, boter, kaas en eieren was in de Nederlanden geen gebrek.