Aanhalingstekens

Aanhalingstekens
1 / 9
volgende
Slide 1: Tekstslide
TaalBasisschoolGroep 6

In deze les zitten 9 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Aanhalingstekens

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe heten de leestekens die hierboven staan? Sleep de juiste naam naar het juiste leesteken.
aanhalingsteken
komma
punt
puntkomma
vraagteken

Slide 2 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Les 9 Aanhalingstekens
Doel:
Je kunt aanhalingstekens op de juiste manier gebruiken in zinnen en bij woorden.
Zoals:
"Wat groeien jullie hard", zegt de juf.

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Om welke reden kun je GEEN aanhalingstekens plaatsen?
A
bij een citaat
B
als je een woord extra aandacht wil geven
C
bij een naam
D
als je iets niet precies bedoelt zoals je het zegt

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

(Een citaat is datgene wat iemand letterlijk zegt)

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe worden de aanhalingstekens in deze zin gebruikt?
De juf vraagt: "Wie wil voorlezen?"
A
om een citaat aan te geven
B
om een woord extra aandacht te geven
C
om aan te geven dat iets niet letterlijk bedoeld wordt

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe worden de aanhalingstekens in deze zin gebruikt?
Tjonge, wat ben je weer 'snel' klaar.
A
om een citaat aan te geven
B
om een woord extra aandacht te geven
C
om aan te geven dat iets niet letterlijk bedoeld wordt

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In welke zin staan de aanhalingstekens goed? Eerst goed kijken voordat je kiest!
A
"Juf Kim zei": We gaan buiten spelen.
B
Juf Kim zei: "We gaan buiten spelen".
C
Juf Kim zei: "We gaan buiten spelen."
D
"Juf Kim zei: We gaan buiten spelen."

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 9 - Tekstslide

• Wat je zegt, staat altijd tussen aanhalingstekens.
• Er staat altijd een komma buiten de aanhalingstekens.
• Bij een vraag of een uitroep staat het vraagteken of het uitroepteken binnen
de aanhalingstekens.

-Je plaatst een dubbelepunt voor wat gezegd wordt.
• Wat gezegd wordt, staat altijd tussen aanhalingstekens.
• Het leesteken staat altijd binnen de aanhalingstekens.