1. Een gedicht heeft
versregels.
2. De versregels staan in strofen bij elkaar.
3. De strofen worden gescheiden door witregels.
4. Een herhaalde strofe heet een refrein. De andere strofen heten coupletten.
5. Een gedicht gaat over een gebeurtenis, een moment of gevoel.
6. In een gedicht komt soms rijm voor.
7. Een gedicht heeft ritme.