Marktresultaat en Overheidsinvloed (1e) Samenvatting

Ruilwinst (voor de koper)
Het consumentensurplus is dus de ruilwinst voor de koper die wordt behaald met een ruiltransactie.

Het consumentensurplus is het verschil tussen de maximale betalingsbereidheid van de koper en de prijs die hij daadwerkelijk betaalt.
1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 46 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Ruilwinst (voor de koper)
Het consumentensurplus is dus de ruilwinst voor de koper die wordt behaald met een ruiltransactie.

Het consumentensurplus is het verschil tussen de maximale betalingsbereidheid van de koper en de prijs die hij daadwerkelijk betaalt.

Slide 1 - Tekstslide

Ruilwinst (voor de verkoper)
Het producentensurplus is dus de ruilwinst voor de verkoper die wordt behaald met een ruiltransactie.

Het producentensurplus is het verschil tussen de minimale  leveringsbereidheid van de verkoper en de prijs die hij daadwerkelijk ontvangt.

Slide 2 - Tekstslide

Economische doelmatigheid
Als vragers en aanbieders ruilwinst (surplus) kunnen behalen, dan is de economische uitkomst op de markt doelmatig.

Het gaat op de markt over alle consumenten en producenten op de markt samen.

In het marktevenwicht is er een economisch doelmatige uitkomst, omdat het totale surplus maximaal is.

Slide 3 - Tekstslide

Producentensurplus
LET OP: het producentensurplus is geen winst!

In een markt van volkomen concurrentie heeft de aanbieder geen invloed op de prijs (GO), en dus ook niet op marginale opbrengst (MO). De marginale kosten (MK) zijn dan ook bepalend voor het aanbod. De marginale kostenlijn valt daarom samen met de individuele aanbodlijn.

Naast marginale kosten (MK) zijn er ook nog
constante kosten (CK).
  • producentensurplus = P – MK (MK = GVK)
  • winst = P – alle kosten (niet enkel de GVK, ook de CK)

Slide 4 - Tekstslide

Aanbodlijn en MK
Aanbodlijn: hoeveel wil een producent aanbieden bij een bepaalde prijs?,
of een producent bereid is het product aan de bieden hangt af van de MK:
  • als P < MK: producent zal niet aanbieden (je wilt je GVK terugverdienen)
  • als P > MK: wél aanbieden

De MK-lijn geeft dus aan hoeveel een producent aanbiedt bij een bepaalde prijs! Bij volkomen concurrentie valt de MK-lijn dus samen met de Qa lijn:
de aanbodlijn moet worden omgeschreven!      Qa = 0,4p - 2 => MK = 2,5q + 5

Slide 5 - Tekstslide

De overheid 
Als de overheid de marktuitkomst ongewenst vindt, kan ze ingrijpen in de uitkomst:
  • ze kan d.m.v. wet- en regelgeving bepaalde goederen of samenwerking tussen aanbieders (kartelvorming) verbieden
  • ze kan ingrijpen in de prijsvorming (prijsregulering) met minimumprijzen (bijv. landbouw) of maximumprijzen (bijv. huren)
  • ze kan de productiekosten beïnvloeden door een heffing op te leggen of door een subsidie te verstrekken

Slide 6 - Tekstslide

Gevolg ingrijpen
Ingrijpen in de markt leidt tot verlies van surplus (deadweight loss = Harbergerdriehoek).

De overheid kijkt of het verlies aan doelmatigheid (het totale surplus van CS en PS daalt!) opweegt tegen de positieve effecten van ingrijpen.

Slide 7 - Tekstslide

Maximumprijs
Kenmerken van een maximumprijs:
  • ligt onder de evenwichtsprijs!
  • beschermt de consument
  • vraagoverschot (vraag > aanbod)

Er is een stelsel nodig om te bepalen wie in aanmerking komt (bijv. wachtlijst of loting).
Voorbeeld: huren in Nederland
  • opoffering doelmatigheid om betaal baarheid wonen te behouden
  • uitkomst is niet meer Pareto-efficiënt

Slide 8 - Tekstslide

Minimumprijs
Kenmerken van een minimumprijs:
  • ligt boven de evenwichtsprijs!
  • beschermt de producent
  • aanbodoverschot (aanbod > vraag)


Voorbeeld: landbouwprijzen in de EU
  • opoffering doelmatigheid om voedsel-voorziening te behouden en inkomen voor boeren
  • uitkomst is niet meer Pareto-efficiënt

Slide 9 - Tekstslide

Gevolgen (minimum prijzen)
  • consumentenprijzen liggen hoger
  • belastingen worden hoger,
       omdat (aanbod)overschotten moeten worden opgekocht (door overheid)
  • invoerrechten om goedkope invoer te weren (want in het binnenland ligt de prijs nu hoger)
  • exportsubsidies om overschotten buiten de EU te verkopen
  • ontwikkelingslanden worden m.n. door 3. en 4. geraakt (ze kunnen hun producten niet kwijt in de EU en ze ondervinden last van oneerlijke concurrentie op de eigen markt)

Slide 10 - Tekstslide

Minimum loon
Kenmerken van een minimum loon:
  • ligt boven de evenwichtsprijs!
  • beschermt de werknemer 
  • creëert werkeloosheid (aanbod > vraag)

Waarom?
  • opoffering doelmatigheid om het bestaansminimum van lage lonen te garanderen
  • uitkomst is niet meer Pareto-efficiënt

Slide 11 - Tekstslide

Belastingen en subsidies
  • Directe belastingen zoals inkomsten en vennootschapsbelasting worden door personen of bedrijven aan de overheid betaald over inkomen/vermogen.
  • Directe subsidies worden bijvoorbeeld in de vorm van inkomenssteun rechtstreeks aan personen of bedrijven verstrekt.
  • Indirecte belastingen zoals accijns en BTW zijn
      kostprijsverhogend. De verkoper draagt de
      belasting af aan de overheid. De verkoper berekent
      deze hogere kosten door in de verkoopprijs.
  • Indirecte subsidies zoals op zonnepanelen of
       elektrische auto zijn kostprijsverlagend.
       

Slide 12 - Tekstslide

De overheid stuurt de markt
Waarom zijn er belastingen en subsidies?
  • negatieve externe effecten te verminderen
  • positieve externe effecten te bevorderen

Slide 13 - Tekstslide

Indirecte belastingen
Indirecte belastingen zoals accijns, energiebelasting en BTW werken kostprijsverhogend, worden doorberekend aan de consument en werken remmend. Zij kunnen een substantieel onderdeel uitmaken van de consumentenprijs zodat een product minder gekocht wordt.

Slide 14 - Tekstslide

Accijns
De overheid voert een heffing (accijns) in op cola om de cola consumptie te ontmoedigen.

Wat gebeurt er met vraag en aanbod?
  • de aanbodlijn verschuift naar boven met de hoogte van de heffing (stijging MK)
  • bij dezelfde consumentenprijs wordt er dan minder cola aangeboden
  • hogere evenwichtsprijs (product duurder)
  • lagere evenwichtshoeveelheid
  • er is een verlies aan surplus / welvaart

Slide 15 - Tekstslide

Afwenteling
Afwenteling is de mate waarin de heffing (accijns) wordt doorberekend aan de consument. Ofwel een deel van de heffing wordt doorberekend aan de consument en een deel van de heffing neemt de producent voor zijn rekening.

Hoe steiler de vraaglijn (minder prijselastische vraag) en/of hoe vlakker de aanbodlijn, hoe hoger het afwentelingspercentage.

Slide 16 - Tekstslide

Indirecte belastingen
  1. C: we zien dat het consumentensurplus ten opzichte van de uitgangssituatie flink is afgenomen
  2. P: we zien dat (ondanks de hogere consumentenprijs) ook het producentensurplus flink is afgenomen
  3. O: tegenover de afname van de welvaart die ontstaat door een kleiner consumenten- en producentensurplus, staat een bedrag dat de overheid ontvangt waarmee zij collectieve goederen kan produceren die weer welvaart opleveren
  4. WV: de toename van de welvaart (O) is kleiner dan het verlies aan producenten- en consumentensurplus, per saldo daalt de welvaart met de driehoek WV (Harberger-driehoek)

Slide 17 - Tekstslide

Qa en MK na heffing
Nieuwe Qa-functie na heffing:
  • vervang de P door (P - heffing)
  • bijvoorbeeld € 15 heffing
  • Qa = 0,4P – 2 → Qa = 0,4(P - 15) – 2

Nieuwe MK-functie na heffing:
  • verhoog de functie voor elke q met de heffing
  • bijvoorbeeld € 15 heffing
  • MK = 2,5q + 5 → MK = 2,5q + 20

Slide 18 - Tekstslide

Subsidies
Subsidies zoals op zonnepanelen, elektrische auto's, kinderopvang
en theater werken kostprijsverlagend en werken bevorderend.
Zij verlagen de consumentenprijs zodat een product meer gekocht
wordt

Slide 19 - Tekstslide

Subsidie
De overheid voert een subsidie in op e-auto's om de verkoop te stimuleren.

Wat gebeurt er met vraag en aanbod?
  • de aanbodlijn verschuift naar beneden met de hoogte van de subsidie (daling MK)
  • bij dezelfde consumentenprijs worden er dan meer elektrische auto's aangeboden
  • lagere evenwichtsprijs (auto's goedkoper)
  • hogere evenwichtshoeveelheid
  • er is een verlies aan surplus / welvaart

Slide 20 - Tekstslide

Kosten
Het consumentensurplus neemt door de subsidie toe (rode balk). Tevens neemt het producentensurplus toe (blauwe balk).

De overheid betaalt de kosten van de subsidie (rode + blauwe balk + gele driehoek).

De kosten van de subsidie zijn niet volledig gedekt door de groei van het consumenten en producentensurplus → verlies aan surplus / welvaart (gele driehoek).

Slide 21 - Tekstslide

Qa en MK na subsidie
Nieuwe Qa-functie na subsidie:
  • vervang de P door (P + subsidie)
  • bijvoorbeeld € 15 subsidie
  • Qa = 0,4P – 5 → Qa = 0,4(P + 15) – 5

Nieuwe MK-functie na subsidie:
  • verlaag de functie voor elke q met de subsidie
  • bijvoorbeeld € 15 subsidie
  • MK = 2,5q + 25 → MK = 2,5q + 10

Slide 22 - Tekstslide

Marktmacht = marktfalen
Wat gebeurt er met het surplus als de marktvorm verandert van volkomen concurrentie naar monopolie?

  • een deel van het surplus verschuift van consument naar producent, de monopolist kan zelf prijs bepalen en zet de prijs hoger

  • een deel van het surplus gaat verloren, het aantal vragers neemt af (te hoge prijs), het aantal ruiltransacties daalt en de markt wordt minder economisch doelmatig

Slide 23 - Tekstslide

Monopolist en prijselasticiteit
De monopolist is prijszetter. Zij moet enkel rekening houden met betalingsbereidheid klant. Bij een hogere prijs wordt er minder gevraagd.

Een monopolist wil een hogere omzet met zijn bedrijf halen. In welk geval zal een monopolist eerder geneigd zijn de prijs te verhogen? Als de vraag naar zijn product elastisch of inelastisch is?
  • inelastisch, de vraag neemt relatief minder af dan dat de prijs in procenten stijgt, hierdoor zal de omzet stijgen

Slide 24 - Tekstslide

Prijsdiscriminatie
Een manier voor de monopolist om zijn marktmacht nog verder te vergroten en ook het resterende deel van het consumentensurplus te bemachtigen is prijsdiscriminatie. De aanbieder vraagt verschillende prijzen aan deelmarkten voor een identiek product. De aanbieder moet dan wel:
  • de betalingsbereidheid van elke individuele consument weten
  • voor elke consument een aparte prijs rekenen die gelijk is aan
       de betalingsbereidheid van die consument

Voorwaarden:
  1. strikte scheiding tussen deelmarkten
  2. geen doorverkoop mogelijk tussen deelmarkten



Slide 25 - Tekstslide

Prijsdiscriminatie
Wat is het?
  • verschillende prijzen voor verschillende groepen consumenten

Waarom doen producenten dit?
  • producentensurplus uitbreiden ten koste van het consumentensurplus

Waar gebeurt dit vooral?

Slide 26 - Tekstslide

Prijsdiscriminatie
Een bedrijf kan voor een nieuw product een uniforme prijs vragen van $ 99.

Echter, de betalingsbereidheid van sommige groepen consumenten (bijvoorbeeld ‘Early Adopters’) ligt veel hoger dan $ 99.

Het bedrijf start daarom met een prijs van $ 399 en verlaagt deze in een aantal jaar stapsgewijs tot $ 99.

Slide 27 - Tekstslide

Prijsdiscriminatie
Welke doelstelling heeft de producent bij een prijs van € 50?
  • bij een prijs (GO) van € 50 is de MO = 0 -> maximale omzet

Wat is dan het producentensurplus (PS) en het consumenten- surplus (CS)?
  • CS = € 50 x 5 x 0,5 = € 125 miljoen
  • PS = GO (prijs) - MK = € 45 x 5 = € 225 miljoen

De producent begint met een prijs van € 80, en verlaagt deze na een maand naar € 50, wat is het CS en het PS dan?
  • CS = (€ 20 x 2 x 0,5) + (€ 30 x 3 x 0,5)  = € 65 miljoen
  • PS = GO (prijs) - MK = (€ 75 x 2) + (€ 45 x 3) = € 285 miljoen
  • de producent heeft € 60 miljoen afgeroomd van het CS
  • bij perfecte prijsdiscriminatie is er geen CS, de prijs is voor elke consument gelijk aan zijn betalingsbereidheid


Slide 28 - Tekstslide

Nationalisering
  • 1938 oprichting NS: Nationalisering
  • 1839 eerste trein in Nederland
  • de spoormaatschappijen komen in handen van de overheid (+ post, telefonie, water, gas en elektra)
  • natuurlijke monopolies met hoge verzonken kosten (specifieke investeringen, niet op een andere manier terug te verdienen)
  • voordeel: lagere prijzen, overheid heeft geen winstdoel
  • nadeel: overheid is monopolie en heeft dus geen stimulans om te innoveren en de kwaliteit te verbeteren
  • in de jaren 90 wordt de NS verzelfstandigd, bedrijfs-beslissingen worden minder door de overheid bepaald

Slide 29 - Tekstslide

Privatisering en Liberalisering
In eerste instantie was het doel privatisering: het eigendom van het bedrijf gaat van de overheid naar het bedrijfsleven. Daar is stimulans om te innoveren om te kunnen concurreren, want het doel is winst. Niet gebeurd, overheid behoudt wel zeggenschap.

Wel liberalisering van het spoor: barrières worden weggehaald, zodat concurrentie mogelijk wordt. De infrastructuur van de spoorwegen valt niet meer onder NS maar onder ProRail, een staatsbedrijf verantwoordelijk voor aanleg en onderhoud rails. NS houdt zich enkel nog bezig met vervoer.

Slide 30 - Tekstslide

Publieke sector (overheid)
Door de reorganisatie van de publieke sector is het maken van beleid losgemaakt van de uitvoering van dat beleid.
  • ministeries maken beleid
  • verzelfstandigde organisaties of volledig private bedrijven voeren het beleid uit
  • is de uitvoering naar wens?, de overheid houdt toezicht, wat leidt tot transactiekosten

Hier doen zich 2 problemen voor:
  • principaal-agentprobleem
  • berovingsprobleem

Slide 31 - Tekstslide

Principaal-agentprobleem
In een principaal-agent relatie ‘huurt’ de principaal een agent in om voor hem een taak uit te voeren. Er is een gezamenlijk, maar ook een eigen tegengesteld belang.

Er is pas sprake van een probleem bij een principaal-agent
relatie als er sprake is van:
 1. tegengestelde belangen
 2. asymmetrische informatie

Oplossing:
  • zorg dat agent en principaal hetzelfde belang krijgt
  • verminder de asymmetrische informatie (dat genereert wel transactiekosten!)

Slide 32 - Tekstslide

Principaal-agent relatie

Slide 33 - Tekstslide

Berovingsprobleem

Voorbeeld: Een aannemer die voor de overheid een weg aanlegt, en een goedkoper asfalt gebruikt (moral hazard). De aannemer is gekozen omdat deze een lage prijs bood voor de klus (averechtse selectie). De kosten voor het aanleggen van de weg blijken achteraf hoger te zijn (berovingsprobleem).

Door verzonken kosten na het afsluiten van het contract veranderen de machtsverhoudingen tussen de contractpartijen. De overheid zal het project niet meer zo snel afblazen, omdat ze anders de al gemaakte verzonken kosten van het project niet meer terugverdienen (“de overheid betaalt toch wel”).


Slide 34 - Tekstslide

Toezicht overheid
De overheid wil concurrentie waarborgen, want veel concurrentie (volkomen concurrentie) heeft zijn voordelen.
  • kartels zijn verboden
  • regels voor fusies en overnames
  • ACM houdt toezicht (Autoriteit Consument en Markt)
  • AFM houdt toezicht (Autoriteit Financiële Markten)
  • ECN mededingingsbeleid (European Competition Network)

Slide 35 - Tekstslide

Marktfalen
Een markt kan falen door o.a. onderstaande oorzaken:
  • asymmetrische informatie: verschil in informatie van verkoper en koper waardoor er geen transactie plaatsvindt of de transactiekosten hoog worden, oplossing:
        - zekerheden inbouwen (kwaliteitskeurmerk, keuring, garantie)
  • averechtse selectie: verschil in goede en slechte risico's, alleen slechte risico's die zich gaan verzekeren en goede risico's niet waardoor de premie zo hoog wordt dat uiteindelijk niemand zich meer verzekert, oplossing:
       - verplichten
       - slechte risico’s uitsluiten
       - premiedifferentiatie
       - vrijwillig eigen risico met een lagere premie

Slide 36 - Tekstslide

Goederen
  • Economische goederen zijn alle goederen die schaars zijn.

  • Vrije goederen zijn goederen die in onze behoeften kunnen voorzien en die niet schaars zijn zoals water, lucht, wind, zonlicht en de ongerepte natuur.

Slide 37 - Tekstslide

Economische goederen

Slide 38 - Tekstslide

Voorbeelden
  • Rivaliteit = wanneer het gebruikt van een product door persoon A ten koste gaat van het gebruik van persoon B.
  • Uitsluitbaarheid = wanneer het mogelijk is om iemand uit te sluiten van het gebruik van een product (bijv. als hij niet betaalt).

Collectieve goederen zijn niet rivaliserend en niet uitsluitbaar. Individuele goederen zijn dat wel. Quasi collectieve goederen zijn uitsluit-baar, maar die we wel collectief leveren.


Slide 39 - Tekstslide

Gevangenendilemma
1. Is er sprake van een dominante strategie voor Noordmeren?, en voor Zuidmeren?
2. In welke situatie vertoont Noordmeren meeliftersgedrag?, en Zuidmeren?
3. Is er sprake van een Nash-evenwicht?
4. Is er sprake van een gevangenendilemma?
5. Kunnen sociale normen een uitkomst bieden voor het gevangenendilemma?
6. Hoe zou je het bindingsprobleem kunnen oplossen?
7. Welk gevolg heeft dit voor de transactiekosten?
8. Kan zelfbinding invloed hebben door geloofwaardigheid en reputatie daarbij te betrekken? 





Slide 40 - Tekstslide

Externe effecten
  • effecten op de welvaart van iemand anders (buitenstaander) dan koper (consument) of maker/verkoper (producent)
  • het effect is niet in prijs inbegrepen
  • waarvoor een buitenstaander geen compensatie ontvangt (bij een negatief extern effect) of compensatie hoeft te betalen (bij een positief extern effect)

Slide 41 - Tekstslide

Externe effecten (-)
  • Aanbodlijn is gebaseerd op private kosten.
  • Maatschappelijk gezien is het product te goedkoop: teveel productie voor een te lage prijs.
  • Als de overheid de bedrijven dwingt de negatieve externe effecten door te berekenen in de verkoopprijs met een heffing (maatschappelijke kosten), zal de aanbodlijn omhoog verschuiven.
  • De externe effecten zijn nu in de prijs geïnternaliseerd.

Slide 42 - Tekstslide

Externe effecten (-)
Wat gebeurt er als de overheid een heffing (maatschappelijke kosten) op vliegen invoert?
  • met de heffing kunnen de negatieve externe effecten gecompenseerd worden
  • de aanbodlijn verschuift naar boven met de hoogte van de heffing (stijging MK)
  • bij dezelfde consumentenprijs worden er dan minder vluchten aangeboden
  • hogere evenwichtsprijs (product duurder)
  • lagere evenwichtshoeveelheid
  • de maatschappelijke kosten nemen af

Slide 43 - Tekstslide

Internaliseren

Slide 44 - Tekstslide

Externe effecten (+)
Wat gebeurt er als de overheid een subsidie op een fiets van de zaak invoert?
  • met de subsidie worden de positieve externe effecten betaald
  • de vraaglijn verschuift naar boven met de hoogte van de subsidie
  • bij dezelfde consumentenprijs worden er dan meer fietsen gevraagd
  • hogere evenwichtsprijs (product duurder)
  • hogere evenwichtshoeveelheid
  • de maatschappelijke baten nemen toe

Slide 45 - Tekstslide

Slide 46 - Tekstslide