H8.3 Woordformules

H8.3 Woordformules
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
WiskundeMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 1

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

H8.3 Woordformules

Slide 1 - Tekstslide

Programma
  1. Lesdoel
  2. Terugblik
  3. Instapvraag
  4. Uitleg 
  5. samen oefenen
  6. zelf aan het werk

Slide 2 - Tekstslide

Lesdoel
1. Je leert wat een woordformules is
2. Je leert hoe je met een woordformule rekenent

Slide 3 - Tekstslide

Herhaling
  • Bij een tabel met regelmaat zijn de stappen bovenin de tabel steeds hetzelfde en de stappen onderin de tabel ook steeds hetzelfde
  • Bij een tabel met regelmaat hoort een lineair verband
  • Een lineair verband is een grafiek met een rechte lijn
  • Je kunt de grafiek tekenen door 2 punten uit de tabel in het assenstelsel te zetten een daar een lijn doorheen te tekenen.

Slide 4 - Tekstslide

Is de rode grafiek een stijgende of een dalende grafiek?
A
Een stijgende
B
Een dalende
C
Een afwijkende
D
Het blijft gelijk

Slide 5 - Quizvraag

H8.3 Woordformules
Met een woordformule kun je met woorden omschrijven hoe je iets moet uitrekenen.
Dit noemen we een VERBAND.
De woorden noemen we VARIABELEN

Slide 6 - Tekstslide

H8.3 Woordformules
Deze woordformule geeft de groei van een plant weer:
Hoogte (cm) = 5 + 3 x tijd (dagen)

De woordformule geeft het  verband aan tussen de hoogte (cm) en de tijd in dagen. De hoogte en de tijd zijn variabelen.

Voor tijd kun je een getal invullen, en dan krijg je de hoogte

Slide 7 - Tekstslide

H8.3 Woordformules
Hoogte (cm) = 5 + 3 x tijd (dagen)

Je ziet ook 2 getallen.
Het getal 5 geeft weer hoe groot de plant was toen hij geplant werd. Dit noemen we ook wel het BEGINGETAL
Het getal 3 geeft weer hoe snel de plant per dag groeit. Dit noemen we het RICHTINGSGETAL

Slide 8 - Tekstslide

H8.3 Woordformules
Een woordformule ziet er altijd zo uit:

_______________ = _________+______________ x _________________

Slide 9 - Tekstslide


Allerlei woordformules
oefenen 
Van welke formule is het begingetal 55?
1
A
kosten in € = 2 + 55 x tijd in dagen
B
temperatuur in graden = 70 - 2 x tijd in minuten
C
verdiensten in € = 3 + 70 x tijd in uren
D
lengte in cm = 55 + 3 x tijd in maanden

Slide 10 - Quizvraag


Allerlei woordformules
oefenen 
Van welke formule is het richtingsgetal 2?
3
A
kosten in € = 2 + 55 x tijd in dagen
B
temperatuur in graden = 70 - 2 x tijd in minuten
C
verdiensten in € = 3 + 70 x tijd in uren
D
lengte in cm = 55 + 3 x tijd in maanden

Slide 11 - Quizvraag


Allerlei woordformules
oefenen 
Bij welke formule horen de twee variabelen kosten in € en tijd in dagen?
4
A
kosten in € = 2 + 55 x tijd in dagen
B
temperatuur in graden = 70 - 2 x tijd in minuten
C
verdiensten in € = 3 + 70 x tijd in uren
D
lengte in cm = 55 + 3 x tijd in maanden

Slide 12 - Quizvraag


Allerlei woordformules
oefenen 
Van welke formule is de grafiek een dalende grafiek?
5
A
kosten in € = 2 + 55 x tijd in dagen
B
temperatuur in graden = 70 - 2 x tijd in minuten
C
verdiensten in € = 3 + 70 x tijd in uren
D
lengte in cm = 55 + 3 x tijd in maanden

Slide 13 - Quizvraag


Allerlei woordformules
oefenen 
Welke formule heeft het hoogste begingetal?
6
A
kosten in € = 2 + 55 x tijd in dagen
B
temperatuur in graden = 70 - 2 x tijd in minuten
C
verdiensten in € = 3 + 70 x tijd in uren
D
lengte in cm = 55 + 3 x tijd in maanden

Slide 14 - Quizvraag

H8.3 Woordformules
Rekenen met een woordformule:

Hoogte (cm) = 5 + 3 x tijd (dagen)
Voor tijd (dagen) kun je een getal invullen.
Bijvoorbeeld: tijd = 2
Dan doe je: 5 + 3 x 2 op je rekenmachine

Slide 15 - Tekstslide

H8.3 Samen oefenen som 27 blz 154

Slide 16 - Tekstslide

Ik kan rekenen met een woordformule
😒🙁😐🙂😃

Slide 17 - Poll

Programma
  1. Lesdoel
  2. terugblik
  3. Instapvraag
  4. Uitleg 
  5. samen oefenen
  6. zelf aan het werk met opgave 25, 26, 27, 28, 30, 31, 33

Slide 18 - Tekstslide