3.2 Veiligheid en milieu

3.2 Veiligheid en milieu
1 / 48
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 4

In deze les zitten 48 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

3.2 Veiligheid en milieu

Slide 1 - Tekstslide

PARAGRAAF

Slide 2 - Tekstslide

VEILIGHEIDS-PICTOGRAMMEN

Slide 3 - Tekstslide

Wat zien wij hier?
A
Toepassingsgebieden
B
Gevarensymbolen
C
Niet mengen!
D
Pictogrammen

Slide 4 - Quizvraag

Welk van de onderstaande pictogrammen zal
op een gasfles met butaan staan?
A
pictogram I
B
pictogram II
C
pictogram III
D
pictogram IV

Slide 5 - Quizvraag

Wat geven deze pictogrammen aan?
A
Hoe je de stof moet gebruiken
B
Wat de gevaren zijn van de stoffen
C
Wat er met de stof kan gebeuren bij gebruik
D
Hoe je de stof niet moet gebruiken

Slide 6 - Quizvraag

opdracht 19 t/m 25 (blz 47)
timer
7:00

Slide 7 - Tekstslide

Giftige stoffen en dosis

Slide 8 - Tekstslide

DOSIS
  • De hoeveelheid van een giftige stof die je binnenkrijgt heet DOSIS.
  • Bij een te kleine dosis werken medicijnen niet goed.
  • Bij een te grote dosis kunnen medicijnen schadelijk zijn

Slide 9 - Tekstslide

AAN HET WERK
Waar: Online
Wat: Paragraaf 3.2 opdracht 29 t/m 35
Klaar: 

Veel succes

Slide 10 - Tekstslide

Als je fietst bij windstil weer heb je geen last van luchtwrijving.
A
WAAR
B
NIET WAAR

Slide 12 - Quizvraag

Als je fietst heb je altijd tegenwerkende krachten, zoals de luchtwrijving en de rolwrijving.
A
WAAR
B
NIET WAAR

Slide 13 - Quizvraag

Als je een fiets hebt met brede banden is de rolwrijving op alle soorten ondergrond gelijk.
A
WAAR
B
NIET WAAR

Slide 14 - Quizvraag

LEERDOEL
Je kunt de nettokracht samenstellen van krachten die langs een lijn werken.

Slide 15 - Tekstslide

NETTOKRACHT

Slide 16 - Tekstslide

LEERDOEL
Je kunt de soort beweging van een voorwerp beredeneren aan de hand van de nettokracht die op dat voorwerp werkt.

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Voortstuwende kracht
Tegenwerkende kracht

Slide 19 - Tekstslide

EENPARIGE BEWEGING

Slide 20 - Tekstslide

VERSNELDE BEWEGING

Slide 21 - Tekstslide

VERTRAAGDE BEWEGING

Slide 22 - Tekstslide

Een vliegtuig vliegt van New York naar Londen.
Tijdens de aanloop voor het opstijgen op de startbaan is de nettokracht:
A
Naar voren gericht
B
Naar achteren gericht
C
0 Newton

Slide 24 - Quizvraag

Een vliegtuig vliegt van New York naar Londen.
Tijdens het grootste deel van de vlucht (wanneer het vliegtuig met een constante snelheid vliegt) is de nettokracht:

A
0 Newton
B
Naar voren gericht
C
Naar achteren gericht

Slide 25 - Quizvraag

Op de auto werken wrijvingskrachten Fw = 120 N en een stuwkracht Fs = 600 N
Hoe groot is de netto-kracht?

Slide 26 - Open vraag

Op de auto werken wrijvingskrachten Fw = 120 N en een stuwkracht Fs = 600 N.

Wat voor soort beweging is dit?
A
eenparige beweging
B
versnelde beweging
C
vertraagde beweging

Slide 27 - Quizvraag

VERSNELLEN
  • Aandrijvende kracht is groter dan tegenwerkende kracht.
  • Het verschil tussen deze 2 krachten = resultante
  • Je snelheid wordt groter.
  • = versnelde beweging

Slide 28 - Tekstslide

EENPARIGE BEWEGING
  • Je rijdt aan dezelfde snelheid vooruit.  Je gaat niet sneller en niet trager.  De aandrijvende kracht = tegenwerkende kracht.
  • Resultante = 0 Newton

Slide 29 - Tekstslide

VERTRAGEN
  • Tegenwerkende kracht is groter dan de aandrijvende kracht.
  • Snelheid neemt af.

Slide 30 - Tekstslide

Schrijf 2 dingen op die je deze les geleerd hebt.

Slide 31 - Open vraag

SAMENVATTING
  • AANDRIJFKRACHT: bijvoorbeeld spierkracht.
  • TEGENWERKENDE KRACHT: bijvoorbeeld luchtwrijving, rolwrijving en wrijvingskracht.
  • NETTO KRACHT: alle krachten bij elkaar optellen die op een voorwerp werken

Slide 32 - Tekstslide

SAMENVATTING
  • VERSNELD: de aandrijfkracht is groter dan tegenwerkende krachten.
  • EENPARIG: de aandrijfkracht is even groot als de tegenwerkende krachten.
  • VERTRAAGD: de aandrijfkracht is kleiner dan de tegenwerkende krachten.
  • TRAAGHEID: het verschijnsel dat een voorwerp zijn snelheid wil behouden.

Slide 33 - Tekstslide

AAN DE SLAG
WAT
Maak in It's Learning de opdrachten van paragraaf 14.3 zoals in de planner staan.
KLAAR
Maak dan de TEST JEZELF van paragraaf 14.3
HUISWERK
Maak alles af van paragraaf 14.3

Slide 34 - Tekstslide

TRAAGHEID
Natuurkundig verschijnsel dat een voorwerp zijn snelheid wil behouden.

Slide 35 - Tekstslide

TRAAGHEID

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Video

H14 Kracht en beweging

H14.4 Veiligheid in het verkeer

Slide 38 - Tekstslide

14.4 VEILIGHEID IN HET VERKEER

Slide 39 - Tekstslide

WAT GAAN WE DOEN?
De stopafstand berekenen

Slide 40 - Tekstslide

STOPAFSTAND
Stopafstand = reactie-afstand + remweg

Slide 41 - Tekstslide

STOPAFSTAND

Slide 42 - Tekstslide

Slide 43 - Video

Stoppen voor een zebrapad: eerst reageren, dan remmen.

Slide 44 - Tekstslide

wat kan reactietijd beinvloeden?
- vermoeidheid
- medicijngebruik
- ouder worden
- afgeleid worden
- alcoholgebruik

Slide 45 - Tekstslide

Veilige snelheid 
Bij het kiezen van een veilige snelheid moet je rekening houden met:
  1. Het soort weg (binnen of buiten de bebouwde kom)
  2. Het overige verkeer (voldoende afstand / rekening houden met overige verkeersdeelnemers)
  3. Het weer (bij glad wegdek neemt stopafstand toe)
  4. Bijzondere omstandigheden

Slide 46 - Tekstslide

Veiligheidsmaatregelen 
  • Kooiconstructie
  • kreukelzone
  • Veiligheidsgordels
  • Airbags

Door de remweg te vergroten, worden de krachten verdeeld.
De kracht op je lichaam wordt dan kleiner.

Slide 47 - Tekstslide

Veiligheidsmaatregelen - hoofd
  • Veiligheidshelm
        Is opgebouwd uit een harde buitenkant
        (kooiconstructie) en absorberend 
        schuim (vergroten remweg)
  • Hoofdsteun
        Voorkomt dat je hoofd naar achteren schiet als je van                        achteren wordt aangereden (traagheid)


Slide 48 - Tekstslide