Grammatica woordsoorten les 5 Aanwijzend en vragend voornaamwoord

Grammatica woordsoorten les 5 Aanwijzend en vragend voornaamwoord
Welkom klas 1hvf.
Volg het stappenplan, dan maken we er een goede les van.
Stap 1: Pak je schrift, boek, leesboek en laptop
Stap 2: Log in bij LessonUp met je eigen naam. 
1 / 10
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 10 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Grammatica woordsoorten les 5 Aanwijzend en vragend voornaamwoord
Welkom klas 1hvf.
Volg het stappenplan, dan maken we er een goede les van.
Stap 1: Pak je schrift, boek, leesboek en laptop
Stap 2: Log in bij LessonUp met je eigen naam. 

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
1. Ik kan aan het einde van de les het aanwijzend en vragend voornaamwoord benoemen in een zin.
2. Ik kan een zin helemaal benoemen met de volgende woordsoorten: blw, olw, zn, bn, vz, zww, hww, psv, bzv, av en vrv

Slide 2 - Tekstslide

Wat gaan we doen?
1. Lezen
2. Nakijken huiswerk: zelfstandig + huiswerkcontrole
3. Uitleg aanwijzend en vragend voornaamwoord
4. Oefenen
5. Huiswerk volgende les: werkblad aanwijzend en vragend voornaamwoord

Slide 3 - Tekstslide

Lezen
Laatste keer! Leesboek moet donderdag uit zijn!

Slide 4 - Tekstslide

Nakijken
Nakijken huiswerk. Duur: 5 minuten
Klaar: Lees de theorie blz. 129 en 130

timer
5:00

Slide 5 - Tekstslide

Aanwijzend voornaamwoord (av)
Aanwijzende voornaamwoorden: Wijzen een zelfstandig naamwoord aan.
Aanwijzende voornaamwoorden zijn: deze, die, dit, dat, zulk(e), dergelijk(e), zelf, hetzelfde, dezelfde.
Let op: Soms staat een aanwijzend voornaamwoord alleen in de zin. Kijk goed of het verwijst naar een zn.
Voorbeeld: Ik vind die auto leuk, maar deze dan weer niet.

Deze en die verwijzen naar de-woorden
Dit en dat verwijzen naar het-woorden!


Slide 6 - Tekstslide

Vragend voornaamwoord (vrv)
Vragende voornaamwoorden: Wie, wat, welk(e), wat voor een.
Vragende voornaamwoorden verwijzen naar personen of dingen.
Let op: Hoe, waarom, hoeveel, wanneer etc. verwijzen niet naar personen of dingen, dus geen vragend voornaamwoord

Slide 7 - Tekstslide

Benoem de aanw. vnw in de zin: Ik heb dit boek Chatrooms gelezen, dat is geschreven door Helen Vreeswijk.

Slide 8 - Open vraag

Oefenen: Benoem de aanw.vnw en vr.vnw in de zin: Wie heeft dat chocolaatje opgegeten? Doe het zo: aanw.vnw: .... vr.vnw: ...

Slide 9 - Open vraag

Huiswerk
Maken: werkblad aanwijzend en vragend voornaamwoord (zie som)
Je werkt fluisterend met elkaar.
Klaar = bezig met de fictieopdracht.

Slide 10 - Tekstslide