Woordenschat h4 de tegenstelling

H4 Woordenschat
Een tegenstelling zoeken
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmboLeerjaar 1

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

H4 Woordenschat
Een tegenstelling zoeken

Slide 1 - Tekstslide

Vandaag doen
20 minuten lezen 
10 minuten voorlezen
10  minuten opdrachten nakijken
10  minuten herhalen theorie
30  minuten maken opdracht,  8
Als je klaar bent woordenlijst leren






Slide 2 - Tekstslide

Herhaling theorie
Als je een moeilijk woord tegenkomt in een tekst, dan pas je een woordraadstrategie toe.
Je kent deze woordraadstrategieën al:
  • Synoniem
  • Omschrijving/betekenis
  • Voorbeeld


Slide 3 - Tekstslide

H4 Tegenstelling
Woorden die het tegenovergestelde van elkaar zijn, noem je “tegenstellingen”.

Slide 4 - Tekstslide

 H4 Woordenschat
Woorden die het tegenovergestelde van elkaar zijn, noem je “tegenstellingen”
Mooi – lelijk

vrolijk – bedroefd

prijzig - goedkoop

Slide 5 - Tekstslide

H4 Tegenstelling
Een tegenstelling herken je aan de volgende woorden:
  • maar
  • echter
  • toch
  • daarentegen

Slide 6 - Tekstslide

Welk signaalwoord geeft de tegenstelling aan in deze zinnen?

Ik wilde iets vergroten op het kopieerapparaat. Ik drukte echter op de knop van verkleinen.

Slide 7 - Open vraag

Welk woord is de tegenstelling van "vergroten"?

Ik wilde iets vergroten op het kopieerapparaat. Ik drukte echter op de knop van verkleinen.

Slide 8 - Open vraag

Welk signaalwoord geeft de tegenstelling aan in deze zinnen?

Er staat tijdelijk een verkeerslicht op de gevaarlijke kruising, maar de buurtbewoners willen er permanent een hebben.

Slide 9 - Open vraag

Welk woord is de tegenstelling van "permanent"?

Er staat tijdelijk een verkeerslicht op de gevaarlijke kruising, maar de buurtbewoners willen er permanent een hebben.

Slide 10 - Open vraag

Zelf aan de slag
Jullie gaan nu zelfstandig aan het werk.
bladzijde 102 - 105
opdracht 1 t/m 7
1 en 2 zijn deze les af
Tot het einde van de les.

Slide 11 - Tekstslide

na veel plussen en minnen
A
na veel rekenen
B
beginnen
C
na veel piekeren
D
eindigen

Slide 12 - Quizvraag

vroeg of laat
A
nooit
B
ooit
C
soms
D
vaak

Slide 13 - Quizvraag

als water en vuur
A
veel gelach
B
veel ruzie
C
veel samen
D
veel plezier

Slide 14 - Quizvraag

Freerunning is een sport die internationaal steeds populairder wordt.
Wat betekent internationaal?
A
wereldkampioenschap
B
ook in andere landen
C
in Amerika en Afrika
D
alle planeten samen

Slide 15 - Quizvraag

Wat is de tegenstelling van internationaal?
A
bij mij thuis
B
in ons land
C
in alle landen
D
dagelijks

Slide 16 - Quizvraag

Freerunning kun je over alledaagse spullen doen.
Wat betekent alledaagse?
A
niet bijzondere
B
elke dag
C
veranderlijke
D
verraderlijke

Slide 17 - Quizvraag

Wat is een tegenstelling van spectaculaire?
A
bijzondere
B
warme
C
hartverwarmende
D
gewone

Slide 18 - Quizvraag

Je kunt allerlei spectaculaire trucs doen.
Wat betekent spectaculaire?
A
gevaarlijke
B
domme
C
bijzondere
D
eigenaardige

Slide 19 - Quizvraag

Iemand die mentaal sterk is, kan zijn angsten overwinnen.
Wat betekent mentaal?
A
lichamelijk
B
geestelijk
C
met je handen
D
samen

Slide 20 - Quizvraag

Wat zijn de tegenstellingen in deze zin?

Deze sport is leuk voor beginners, maar ook voor gevorderden.
A
leuk / gevorderden
B
sport / beginners
C
maar / ook
D
beginners / gevorderden

Slide 21 - Quizvraag