Die of dat?

Die of dat?
1 / 11
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Die of dat?

Slide 1 - Tekstslide

Het advies welke ik gaf of dat ik u gaf?
Het gebruik van welke als verwijswoord is ouderwets en niet mooi. Sommige mensen vinden het misschien deftig (slim?) klinken, maar dat is het niet. 

Beter kan je verwijzen met die of deze naar 'de-woorden' 
en dit of dat naar 'het-woorden'.

Slide 2 - Tekstslide

Bij lange zinnen is het soms lastig te bepalen naar welk woord ‘die’ of ‘dat’ verwijst.
 Als dan het verkeerde verwijswoord gebruikt wordt, kan de betekenis van de zin veranderen:

Het vakantiehuis van mijn vader die in Zuid-Frankrijk staat.
Het vakantiehuis van mijn vader dat in Zuid-Frankrijk staat.

Zie je het verschil? In de eerste zin zeg je dat je vader in Zuid-Frankrijk staat, in de tweede zin staat het vakantiehuis in Zuid-Frankrijk. Let dus goed op of je naar een de-woord of een het-woord verwijst.

Slide 3 - Tekstslide

Die grijze poes dat daar loopt, is van mijn buren.
A
goed
B
fout
C
deels goed

Slide 4 - Quizvraag

De offerte die ik u gestuurd heb, bevat een aantal fouten dat hebben we aangepast.
A
goed
B
fout
C
deels goed

Slide 5 - Quizvraag

Die vragen die wij u gesteld hebben, zijn nog niet beantwoord.
A
goed
B
fout
C
deels goed

Slide 6 - Quizvraag

Alle mensen die daar lopen, zijn verdwaald.
A
goed
B
fout
C
deels goed

Slide 7 - Quizvraag

Zijn zoontje dat een waterpomp vasthoudt.
A
goed
B
fout
C
deels goed
D
nu ben ik in de war...

Slide 8 - Quizvraag

Hun team is zo goed; die nodigen we altijd uit om mee te denken!
A
goed
B
fout
C
deels goed
D
goed fout!

Slide 9 - Quizvraag

Het vakantiehuis van mijn vader die in Zuid-Frankrijk staat.
Wie/wat staat in Zuid-Frankrijk?
A
het vakantiehuis
B
mijn vader

Slide 10 - Quizvraag

Einde LessonUp!

Slide 11 - Tekstslide