Voorbereiding PTA woordenschat

Leerstof PTA
  • Je kent de woorden, afkortingen en uitdrukkingen van de paragrafen woordenschat H1, H2, H3, H4.
  • Je kent de woorden uit de examenlijst (achterin je boek).
  • Je kent de woordraadstrategieën (achterin je boek).
  • Je kunt woordbetekenissen afleiden uit een tekst.
  • Je weet wat een synoniem (= ander woord, zelfde betekenis, bijvoorbeeld “slim” en “intelligent”).











1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Leerstof PTA
  • Je kent de woorden, afkortingen en uitdrukkingen van de paragrafen woordenschat H1, H2, H3, H4.
  • Je kent de woorden uit de examenlijst (achterin je boek).
  • Je kent de woordraadstrategieën (achterin je boek).
  • Je kunt woordbetekenissen afleiden uit een tekst.
  • Je weet wat een synoniem (= ander woord, zelfde betekenis, bijvoorbeeld “slim” en “intelligent”).











Slide 1 - Tekstslide

  • Je weet wat een homoniem (= zelfde woord, andere betekenis, bijvoorbeeld “bank” als zetel en als financiële instelling.
  • Je weet wat een tegenstelling is.
  • Je kunt voor- en achtervoegsels gebruiken.
  • Je kent het verschil tussen letterlijke en figuurlijke betekenis.
  • Je weet bij welk woord je de betekenis van een uitdrukking in het woordenboek moet opzoeken.

Slide 2 - Tekstslide

  • Je weet bij welk woord je de betekenis van een afgeleid woord (bijvoorbeeld werkwoordsvorm bij hele werkwoord, meervoudsvorm bij enkelvoud) moet opzoeken in het woordenboek. 

Slide 3 - Tekstslide

woordenboek 

Slide 4 - Tekstslide

Woordenboek
Vind je de betekenis niet met een strategie? Gebruik dan een (online) woordenboek.

Zoek bij:
- het hele werkwoord: bevestigt -> bevestigen, gereserveerd -> reserveren
- het enkelvoud: adviezen -> advies
- de korte vorm: actieve -> actief
- een deel van de samenstelling: verkeersslachtoffer -> slachtoffer

Slide 5 - Tekstslide

Opdracht 1
Welke vorm gebruik je om te zoeken in het woordenboek?

1. De schaafwond op Eliza's arm genas gelukkig snel.
2. De gemeente organiseert een informatieve bijeenkomst over de nieuwe sporthal.
3. De gezondheidsraad heeft de nieuwe schijf van vijf gepubliceerd.
4. Thomas eet speciaal brood, want hij heeft een glutenallergie.
informatief
genezen
publiceren
allergie

Slide 6 - Tekstslide

3. Onder welk trefwoord kun je de betekenis vinden van gouden bergen beloven?
A
berg
B
bergen
C
berghut
D
bergplaats

Slide 7 - Quizvraag

Leerdoelen
  • Ik weet wat voor- en achtervoegsels zijn
  • Ik kan voorbeelden geven van voor- en achtervoegsels
  • Ik weet wat de betekenis is van woorden met een voor- en achtervoegsel

Slide 8 - Tekstslide

Voorvoegsel
Achtervoegsel

Slide 9 - Tekstslide

Voorvoegsel
Bij sommige woorden kun je een stukje voor het woord toevoegen; een voorvoegsel.
De betekenis van het woord verandert door een voorvoegsel.

Voorbeelden van voorvoegsels: her- : herexamen
                                                                    in- : informeel
                                                                    on- : onjuist

Een voorvoegsel heeft vaak wel een betekenis: on-  = niet; her- = opnieuw

Door te kijken naar een voorvoegsel kun je de betekenis van een woord beter achterhalen.

Slide 10 - Tekstslide

 Veelgebruikte voorvoegsels
Er zijn verschillende voorvoegsels, die allemaal iets anders betekenen.


voorvoegsel
betekenis
mis - 
slecht/verkeerd
on-
niet
her-
nog een keer

Slide 11 - Tekstslide

Noem 3 (woorden met) voorvoegsels

Slide 12 - Open vraag

Meer voorvoegsels

Slide 13 - Tekstslide

Een voorvoegsel is een...
A
voorzetsel
B
een deel van het woord met eigen betekenis
C
een deel van het woord zonder eigen betekenis
D
bijvoeglijk naamwoord

Slide 14 - Quizvraag

Welk woord heeft een voorvoegsel?
A
geklets
B
gezwam
C
oeverloos
D
misverstand

Slide 15 - Quizvraag

Wat is GEEN voorvoegsel?
A
mis-
B
inter-
C
ge-
D
aan-

Slide 16 - Quizvraag

Woord met voorvoegsel
Woord zonder voorvoegsel
Heropenen
Wangedrag
onrustig
Tafelkleed
Klaarmaken
Tekstboek
non-fictie
internationaal

Slide 17 - Sleepvraag

 Herhaling veelgebruikte voorvoegsels
voorvoegsel
betekenis
voorbeeld
mis-
slecht/verkeerd
mislukt
on-
niet
onbetrouwbaar
wan-
geen/slecht
wangedrag
her-
nog een keer
hergebruik

Slide 18 - Tekstslide

Voorvoegsels
Betekenis
niet, zonder
niet
verkeerd, fout
slecht, verkeerd
weer, opnieuw
niet meer, van vroeger
tussen
mis-
non-
on-
wan-
her-
ex-
inter-

Slide 19 - Sleepvraag

Wat is een voorvoegsel?
A
Een woord voor een ander woord
B
Een klein stukje voor het woord bijv. on of her
C
Iets wat achter een woord staat

Slide 20 - Quizvraag

Voorvoegsel
Achtervoegsel

Slide 21 - Tekstslide

Voor- en achtervoegsels
-Voor- en achtervoegsels zijn geen woorden op zichzelf (zoals bij samenstellingen). 
-Voor- en achtervoegsels geven het kernwoord een andere betekenis. Bijvoorbeeld: interesse- desinteresse 
Ook verandert vaak de woordsoort door het achtervoegsel.
meisje (zn) - meisjesachtig (bnw.)


Slide 22 - Tekstslide

Voor- en achtervoegsels
Voorbeelden van achtervoegsels:


-ig
groenig
-achtig
lila-achtig
-loos
radeloos
-baar
draagbaar
-dom
christendom
-lijk
makkelijk

Slide 23 - Tekstslide

achtervoegsels
Het achtervoegsel -achtig betekent: een beetje als.



Het achtervoegsel -baar betekent: kan.
Het achtervoegsel -loos betekent: zonder.
Het achtervoegsel -vol betekent: met veel.
Het achtervoegsel -arm betekent: met weinig.
Het achtervoegsel -rijk betekent: met veel.




Slide 24 - Tekstslide

A. Verzin drie woorden met een achtervoegsel. B. Wat betekent het achtervoegsel?

Slide 25 - Open vraag

Welke samengestelde woorden maak jij hiervan?
On +
+ achtig
Grondwoord
Voorvoegsel
Achtervoegsel

Slide 26 - Tekstslide