B5 gedrag + dierentuin 2025

B5 gedrag
1 / 52
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 1

In deze les zitten 52 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 6 videos.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

B5 gedrag

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

leerdoelen
- Je kunt beschrijven hoe een bewuste reactie ontstaat.
- Je kunt beschrijven wat gedrag is. 
- Je kunt benoemen waardoor gedrag wordt bepaald.

Slide 3 - Tekstslide

Hoe komt het dat
mensen 'iets doen'

Slide 4 - Woordweb

Geef een voorbeeld van
'gedrag'

Slide 5 - Woordweb

Geef een voorbeeld van gedrag.

Slide 6 - Open vraag

Welk gedrag
vind jij 'niet normaal'?

Slide 7 - Woordweb

Wat is gedrag? 
Met gedrag worden alle waarneembare activiteiten van een mens of dier bedoeld. Het is alles wat een mens of dier doet. Het zijn bewegingen, houdingen en gezichtsuitdrukkingen.
Gedragingen komen vaak tot stand door de werking van spieren en soms door de werking van klieren. Denk bijvoorbeeld aan het kwijlen van een hond op het moment dat hij voedsel ruikt of ziet.

Gedrag kan ons heel veel vertellen over de mensen om ons heen, maar ook over dieren. Daarnaast is gedrag gewoon prachtig om te zien. 
Elk organisme heeft zijn eigen, vaak herkenbare handelingen. 
Door onderzoek leren we over gedrag.



Slide 8 - Tekstslide

Wat is gedrag?
A
Alles wat een mens of dier doet
B
lopen, iets pakken, lachen
C
spieren die werken
D
planten die water opnemen

Slide 9 - Quizvraag

Van prikkel tot reactie 
  1. Prikkel    Verandering in omgeving               oog - bonbon
  2. Adequate prikkel voor gezichtszintuig
  3. Impuls (elektrische seintje) vanaf gezichtszintuig via zenuwen naar de hersenen
  4. Hersenen verwerken impuls  = waarnemen
  5. Hersenen versturen impuls naar spier/klier
  6. Respons van een spier / klier

Slide 10 - Tekstslide

Prikkel en respons 
Een reactie op een prikkel is een respons. Je kan verschillende prikkels binnen krijgen, bijv. honger, geur, geluid.
Hierop ga je reageren dat noemen we dan een respons.
Hierna ga je een filmpje bekijken over een hond. Deze hond laat meerdere responsen zien. 
Hierna vraag ik welke responsen je hebt gezien. 

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Video

welke responsen heb je gezien.

Slide 13 - Open vraag

Wat is een prikkel?
A
invloed uit de omgeving op een organisme
B
reactie van een mens of dier op iets
C
een zintuig
D
een zenuw

Slide 14 - Quizvraag

Een prikkel kan ervoor zorgen dat er een (reactie) respons komt

A
ja
B
nee

Slide 15 - Quizvraag

Inwendige en uitwendige prikkel
Gedrag wordt veroorzaakt door inwendige prikkels en uitwendige prikkels.
Voorbeelden van inwendige prikkels zijn: honger en dorst, hormonen, erfelijke factoren en opgedane ervaringen.

Een voorbeeld van een uitwendige prikkel is de rode vlek op de snavel van een meeuw. Een jonge meeuw pikt naar de rode vlek. Het pikken van het jong is ook een prikkel, het motiveert de ouder voedsel te braken.

Als een inwendige prikkel niet of niet voldoende aanwezig, dan komt het betreffende gedrag niet tot stand. Bijvoorbeeld: als een leeuw geen honger heeft, valt hij geen prooi aan. 

Slide 16 - Tekstslide


Voorbeeld van een
uitwendige prikkel
(1 of meer antw. goed)

A
Geluid en licht
B
Honger en dorst
C
Hoofdpijn
D
Pijn in de buik

Slide 17 - Quizvraag

Begrijp je hoe dit 
gedrag ontstaat?            
Een prikkel is een verandering in de omgeving, hier reageren dieren en mensen op.

Uitwendige prikkel > iets zien bijv. de hond ziet de voerbak 
Inwendige prikkel   > de hond heeft honger

Respons (reactie): de hond loopt naar de voederbak en eet

Gedrag ontstaat doordat mensen en dieren reageren op inwendige en uitwendige prikkels. 
Alle reacties op prikkels vormen het gedrag.

Ook als de hond niet was gaan eten was dit  ook een reactie (respons)  en dus gedrag geweest. 

Slide 18 - Tekstslide

Kun je 'praten' met je lichaam?                      
Aan de gezichtsuitdrukkingen van de mens kun je
zes emoties herkennen.

  • Vreugde
  • Verdriet
  • Verbazing
  • Woede
  • Afschuw
  • Angst

Je laat met je lichaam zien hoe je je voelt --> Lichaamstaal
Dit is non-verbaal communiceren
(zonder woorden te zeggen of te schrijven)

Slide 19 - Tekstslide

aangeboren en aangeleerd gedrag 
Jonge katjes voeden zich door te zuigen aan de tepel van de moeder. Ze kunnen dit meteen na de geboorte, dit is aangeboren gedrag.

Veel gedrag van mensen en dieren gebeurt door het te leren. Dit is aangeleerd gedrag. Een peuter leert om op de wc te plassen.

Slide 20 - Tekstslide

Wat is aangeboren gedrag?
A
Gedrag dat alleen bij mensen voorkomt.
B
Gedrag dat alleen bij dieren voorkomt.
C
Gedrag dat alleen aangeleerd kan worden.
D
Gedrag dat aangeboren is en niet aangeleerd hoeft te worden.

Slide 21 - Quizvraag

Wat zijn voorbeelden van aangeboren gedrag bij dieren?
A
Honden die kunnen apporteren.
B
Katten die muizen vangen.
C
Jonge eendjes die direct na geboorte naar hun moeder toe zwemmen.
D
Spinnen die een web kunnen maken zonder dit geleerd te hebben.

Slide 22 - Quizvraag

Is taal aangeboren gedrag?
A
Taal is geen gedrag.
B
Ja, taal is aangeboren gedrag.
C
Taal kan zowel aangeboren als aangeleerd zijn.
D
Nee, taal is aangeleerd gedrag.

Slide 23 - Quizvraag

gedrag van mensen 
Het gedrag van mensen is anders dan het gedrag van dieren. Mensen denken na over hun gedrag. Ze beoordelen het gedrag van anderen. 

Slide 24 - Tekstslide

Normen en waarden

Slide 25 - Tekstslide

Normen en Waarden

Slide 26 - Tekstslide

exit ticket: wat is gedrag?

Slide 27 - Open vraag

Exit ticket: Wat is een bewuste reactie?
A
Een reactie die je niet verwacht
B
Een reactie waarbij je bewust nadenkt
C
Een reactie die vanzelf gaat
D
Een reactie die je niet kunt controleren

Slide 28 - Quizvraag

Dierentuin 
Dinsdag 15 april naar de dierentuin. Vertrekken om 8.15 vanaf de parkeerplaats.
In de bus mag geen tas, deze gaan onderin de bus. Het is dus niet toegestaan om te eten en te drinken in de bus. Ook zijn boxen met muziek niet toegestaan. Je mag zelf muziek luisteren.

Slide 29 - Tekstslide

Wat doen we in de dierentuin
Je werkt samen in tweetallen. Ik maak deze tweetallen. 
Je gaat met een docent / mentor naar een gedeelte van de dierentuin. Daar ga je in de ochtend opdrachten maken. Je doet een onderzoekje naar diergedrag. 
ZORG voor een goed werkende camera

Slide 30 - Tekstslide

oefenen ethogram 

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Video

Ethogram en protocol
Ethogram en protocol

Slide 33 - Tekstslide

Gedrag bestuderen
Om onderzoek te doen naar gedrag van dieren en mensen maken onderzoekers gebruik van ethogrammen en protocollen


Slide 34 - Tekstslide

 Onderzoeksvraag en hypothese
Elk onderzoek begint met een vraag: de onderzoeksvraag.

De onderzoeksvraag is de vraag die je gaat beantwoorden met je onderzoek. De onderzoeksvraag moet passen bij het werkplan.

Met de resultaten van het onderzoek kan je de onderzoeksvraag beantwoorden.

Slide 35 - Tekstslide

Onderzoeksvraag en hypothese
Een voorbeeld van een onderzoeksvraag is:

Waar liggen de tastzintuigen dichter bij elkaar: in de wijsvinger of in de onderarm?




Slide 36 - Tekstslide

 Onderzoeksvraag en hypothese
Voor je een onderzoek gaat doen, schrijf je op wat je denkt.

De hypothese is jouw voorlopige antwoord op de onderzoeksvraag.

Slide 37 - Tekstslide

 Onderzoeksvraag en hypothese
Een voorbeeld van een hypothese is:

Ik denk dat de tastzintuigen in de wijsvinger dichter bij elkaar liggen.

Slide 38 - Tekstslide

Onderzoeksvraag en hypothese
Met behulp van de resultaten van het onderzoek beantwoord je de onderzoeksvraag.
Jouw antwoord op de onderzoeksvraag is de conclusie van het onderzoek.
Je weet dan of je hypothese juist was.

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Video

Wat is de conclusie?
Conclusie is het antwoord op de onderzoeksvraag, door het bekijken van de resultaten. 

Slide 41 - Tekstslide

Ethogram
Als je gedrag gaat bestuderen maak je eerst een ethogram

In een ethogram beschrijf je alle gedragselementen die je kunt bedenken en geef je ze een code

we gaan nu meteen starten met het oefenen hiervan.

Slide 42 - Tekstslide

Slide 43 - Video

Protocol
Tijdens het bestuderen van gedrag maak je gebruik van een protocol. 

In een protocol noteer je om de zoveel seconden welk gedragselement je ziet. Je gebruikt voor het noteren de afkortingen die je hebt bedacht in je ethogram.

Slide 44 - Tekstslide

Slide 45 - Video

Maak nu zelf een ethogram 
Wat voor soorten gedrag zag je bij de hond?
Maak hier een ethogram bij. 
Bedenk de afkortingen zoals  'zitten= zit'

Nu gaan we de video nog een keer bekijken. Nu vul je de protocol in met behulp van je eigen ethogram

Slide 46 - Tekstslide

Slide 47 - Video

Nu weet je hoe het werkt
zodat je dit goed kunt gebruiken in de dierentuin. 

Slide 48 - Tekstslide

Gedrag beschrijven
Ethogram 
Lijst van alle soorten gedrag die bij een dier voorkomen.

Protocol
Lijst van waargenomen gedragingen bij een dier.

Slide 49 - Tekstslide

exit ticket: Hoe maak je een ethogram?

Slide 50 - Open vraag

Wat zijn de twee fouten bij
deze ethogram?

Slide 51 - Open vraag

Wat is een protocol?

Slide 52 - Open vraag