Toets H5 - echte toets

H5 rondkomen
Leg je pen
Leg je rekenmachine
Leg je kladpapier alvast klaar
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 2

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

H5 rondkomen
Leg je pen
Leg je rekenmachine
Leg je kladpapier alvast klaar

Slide 1 - Tekstslide

Hoe maak je de test?
Je kunt terug naar eerdere slides gaan. Dus heen en weer bladeren is mogelijk.
Klik op "Bewaar" bij de open vragen. Anders wordt je antwoord niet meegenomen.

Slide 2 - Tekstslide

Hoe maak je de test?
Onder een opgave kan staan "foto of typen".
Dus je kunt kiezen of je een foto upload of dat je gaat typen.


Als je een foto upload, moet je altijd bij de opgave op je papier het opgavenummer en je naam zetten.

Slide 3 - Tekstslide

Welk gezin komt niet rond met haar inkomsten en uitgaven?
A
Gezin Adams
B
Gezin Brink
C
Gezin Carsten
D
Allemaal wel

Slide 4 - Quizvraag

Radha wil een nieuw horloge en een kaartje voor een concert kopen. Ze heeft te weinig geld voor beide aankopen. Ze gaat prioriteiten stellen.
Kies wat ze doet als ze prioriteiten stelt.

A
Ze koopt niets
B
Ze koopt wat het belangrijkste voor haar is
C
Ze koopt het goedkoopste

Slide 5 - Quizvraag

Hierna staan enkele aankopen van Sem.
Geef aan welke aankopen van hem verbruiksgoederen zijn. Kies uit de volgende mogelijkheden:

A
Boormachine en boortjes
B
Spijkers en schroeven
C
Zaag en schroevendraaier

Slide 6 - Quizvraag

Isa gaat een middag winkelen. Ze koopt een gezichtscrème voor € 4,95 en levensmiddelen voor € 32,80. In een restaurant neemt ze een kop koffie met een broodje voor € 5,20. Daarna gaat ze naar de markt om groente en fruit te kopen voor € 12,60. Wat geeft Isa uit aan huishoudelijke uitgaven? Geef de berekening

Slide 7 - Open vraag

Jayden doet de volgende aankopen: een koffiezetapparaat, schoonmaakmiddelen, eten en drinken, snoep en een game.
Geef aan welke aankoop de hoogste prioriteit zal hebben. Leg je antwoord uit.

Slide 8 - Open vraag

Luuk en Caro praten over vaste lasten. Luuk zegt: “Vaste lasten keren regelmatig terug.”
Caro zegt: “Vaste lasten zijn elke maand even hoog.”
Geef aan wie gelijk heeft of gelijk hebben. Kies uit de volgende mogelijkheden:

A
Luuk
B
Caro
C
Luuk en Caro

Slide 9 - Quizvraag

Oscar leest de advertentie over computeropleidingen. Hij geeft zich op voor zo’n opleiding. Geef aan bij welke soort uitgaven de kosten van deze opleiding horen. Kies uit de volgende mogelijkheden:

A
Huishoudelijke uitgaven
B
Vaste lasten
C
Incidentele uitgaven

Slide 10 - Quizvraag

Ruud spaart voor een gereedschapskoffer met inhoud. Hij kan hiervoor € 23 per maand opzijleggen. De gereedschapskoffer kost € 115. Bereken hoeveel maanden hij moet sparen voor de aankoop. Schrijf de berekening op.

Slide 11 - Open vraag

John verdient €2.000. Hoeveel geld gaat er van de inkomsten naar vaste lasten?

Slide 12 - Open vraag

Jari bewaakt zijn budgetten.
Kies wat hij daarvoor moet doen.

A
De uitgaven vergelijken met de budgetten
B
Zijn budgetten aanpassen op de inkomsten
C
Zijn budgetten aanpassen aan de uitgaven

Slide 13 - Quizvraag

In goedkope maanden houdt Jari geld over.
Kies wat hij het beste kan doen met het geld dat overblijft.

A
Het geld laten staan
B
Het geld op een spaarrekening zetten
C
Uitgeven aan leuke dingen

Slide 14 - Quizvraag

Combineer de tekst met de verschillende budgetten
Huishoudelijke uitgaven
Vaste lasten
Incidentele uitgaven
Persoonlijke uitgaven
naar de kapper 
Ze koopt brood
Ze betaalt huur
Ze koopt een boormachine

Slide 15 - Sleepvraag

Lucas verlaagt zijn budget voor de huishoudelijke uitgaven.
Kies hoe hij kan bezuinigen op deze uitgaven en toch hetzelfde kan blijven kopen.

A
Door alle boodschappen in dezelfde winkel te doen
B
Door alleen de bekende merken te kopen
C
Door op koopjes te jagen in verschillende winkels

Slide 16 - Quizvraag

De inkomsten van Charlotte dalen met € 200 per maand. Ze bezuinigt € 50 op de vaste lasten en € 50 op de huishoudelijke uitgaven. Alleen de persoonlijke uitgaven gaan veranderen. Met hoeveel gaat het veranderen? Geef je berekening.

Slide 17 - Open vraag

Levi leent geld om een huis te kopen.
Hoe je een lening met een huis als onderpand noemt?

Slide 18 - Open vraag

Cindy heeft een blijvend tekort. Ze kan dit tekort op verschillende manieren wegwerken. Een voorbeeld hiervan is geld lenen. Maar in reclames wordt vaak gezegd: “Let op! geld lenen kost geld”. Leg uit wat hiermee wordt bedoeld.

Slide 19 - Open vraag

Bijna klaar
Zo nu even controleren of je alle vragen hebt gemaakt.
Ja? Goed gedaan! nu nog even op bewaar klikken, anders worden je antwoorden niet opgeslagen, dat is niet zo handig.
Klik nog even door...

Slide 20 - Tekstslide

The end
Goed gedaan...
Nu nog even inleveren!:)

Slide 21 - Tekstslide