11.1 - toets bespreken et ALLER

semaine 3, cours 2

1.Quel est le jour et la date    
2.Quel temps fait-il?    
3. Quel heure est-il?    


      
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

semaine 3, cours 2

1.Quel est le jour et la date    
2.Quel temps fait-il?    
3. Quel heure est-il?    


      

Slide 1 - Tekstslide

Deze les: Toets bespreken
1. Toets antwoorden behandelen
2. Eigen toets inzien
3. Reflectie schrijven
4. Vragen 

Klaar: Opdracht 3 + 4 les 7

Slide 2 - Tekstslide

Toets bespreken

Slide 3 - Tekstslide

Toets opdracht A en B
Woordjes

Slide 4 - Tekstslide

Toets opdracht C
Grammaire I

Slide 5 - Tekstslide

Toets opdracht D
Grammaire II

Slide 6 - Tekstslide

Toets  opdracht E
Comment dire? / Comment écrire?
Zinnen vertalen naar het Frans

Slide 7 - Tekstslide

Toets  opdracht F
Vrije opdracht : maak adh afbeeldingen zinnen.

Slide 8 - Tekstslide

Toets bespreken opdracht 
Let op zinsvolgorde

Onderwerp               Gezegde                Lijdend Voorwerp   
Ik                                 leuk vinden                      wiskunde
J'                                  aime                                 les maths


Slide 9 - Tekstslide

REFLECTIE TOETS
Stap 1: bekijk je toets
Stap 2: Schrijf je reflectie/Toetsanalyse
Stap 3: Vragen? Steek je vinger op
Geen vragen? Start met opdracht in LessonUp of Learnbeat

Slide 10 - Tekstslide

Learnbeat of Lessonup

Slide 11 - Tekstslide

Wat hebben we de vorige keer gedaan? Besproken?

Slide 12 - Woordweb

Programma:


1. quizlet woordjes
2. herhalen van getallen
3. het ww ALLER 
4. au travail - zie weektaak

lesdoelen:
Aan het einde van de les ken je:

- de tientallen in het Frans
- het ww ALLER gebruiken

Slide 13 - Tekstslide

ALLER

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Aller
Gaan 
Je 
Ik ga
Tu 
Jij gaat
Il / elle  
Hij / zij ga
on 
wij gaan
nous 
wij gaan
vous 
jullie gaan / u gaat
Ils / Elles 
zij gaan
Verbe "Aller" - Apprendre 3, p.142
vas
va
vont
allons
vais
allont
allez
va

Slide 16 - Sleepvraag

Zet in de goede vorm:
Vous (aller) à Lille.
A
vas
B
allons
C
va
D
allez

Slide 17 - Quizvraag

Zet in de goede vorm:
Mon père (aller) à Paris.
A
vais
B
vas
C
va
D
vont

Slide 18 - Quizvraag

Zet in de goede vorm:
Tu (aller) à Eindhoven.
A
vais
B
vas
C
va
D
allons

Slide 19 - Quizvraag

Aller
je
tu
il/elle/on
nous
vous
ils/elles
vais
vas
va
allons
allez
vont

Slide 20 - Sleepvraag

Welk werkwoord past in de zin?
Je ... à l'école.
A
vas
B
vont
C
vais
D
va

Slide 21 - Quizvraag

Emilie et Cecile ....
au restaurant
A
vais
B
vont
C
va
D
allons

Slide 22 - Quizvraag

Traduis:
Nous allons au cinéma
A
Wij gaan naar de bioscoop
B
Jullie gaan naar de bioscoop
C
Wij gaan naar de winkel
D
Jullie gaan naar de winkel

Slide 23 - Quizvraag

Traduis:
Tournez à gauche
A
Ga naar rechts
B
Ga naar links

Slide 24 - Quizvraag

Traduis:
Tournez à droite
A
Ga naar rechts
B
Ga naar links

Slide 25 - Quizvraag

Traduis:
Le carrefour
A
Het kruispunt
B
De bakker
C
De supermarkt
D
De bioscoop

Slide 26 - Quizvraag

Franse supermarkten

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Correction
Exercices 10, 11 et 12, page 127.



Fini? Prends ton cahier et ton stylo.

Slide 29 - Tekstslide

Au travail
Fais exercices Grammaire I, (Livre)
grammaire I (4.3 C) (online) of 
ga oefenen met 4.9 A en B




Slide 30 - Tekstslide

Hoe ging het bespreken van de toets?
Heel erg goed!
Wel goed.
Het gaat wel.
Niet zo goed.

Slide 31 - Poll

Au revoir!

Slide 32 - Tekstslide