In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 15 min
Onderdelen in deze les
5 minuten stil leren
In stilte aan het werk zolang de timer loopt!
timer
5:00
Prenez vos livres et vos cahier
Slide 1 - Tekstslide
Het lesdoel
Aan het einde van deze les:
Weet ik wat een meewerkend voorwerp is.
Kan ik het vervangen door een persoonlijk voornaamwoord.
Kan ik het op de juiste plaats in de Franse zin zetten.
Slide 2 - Tekstslide
Wat is een meewerkend voorwerp???
Slide 3 - Tekstslide
Meewerkend voorwerp
Slide 4 - Woordweb
Het persoonlijk voornaamwoord als meewerkend voorwerp → deel 3, ch2, C
Hoe herken je een meewerkend voorwerp in het Frans? Het zinsdeel dat meewerkend voorwerp is, begint altijd met het voorzetsel à (au, aux). Dit zinsdeel kun je dan vervangen door een persoonlijk voornaamwoord.
Voorbeeld:
Ils donnent de l’argent de poche à Gabrielle. Zij geven zakgeld aan Gabrielle.
Ils lui donnent de l’argent de poche. Zij geven haar zakgeld.
Slide 5 - Tekstslide
Dit zijn de vormen van het persoonlijk voornaamwoord als meewerkend voorwerp.
me/m’ = mij
te/t’ = jou
lui = hem/haar
nous = ons
vous = u/jullie
leur = hun
De volgende werkwoorden krijgen vaak het voorzetsel à: répondre (beantwoorden), écrire (schrijven), donner (geven), dire (zeggen), parler (praten), téléphoner (bellen), demander (vragen).
Slide 6 - Tekstslide
Plaats in de zin
Staat er een heel werkwoord in de zin? Dan staat het persoonlijk voornaamwoord vóór het hele werkwoord/infinitief.
Je vais te donner de l’argent de poche. Ik ga je zakgeld geven.
Het persoonlijk voornaamwoord staat direct vóór de persoonsvorm.
Je te donne de l’argent de poche. Ik geef je zakgeld.
Slide 7 - Tekstslide
Vervang het meewerkend voorwerp door een persoonlijk voornaamwoord. Schrijf de nieuwe zin op.
Slide 8 - Tekstslide
Louis a donné son i-pad à l’informaticien du magasin.
Slide 9 - Open vraag
Il a donné un cadeau à son père.
Il a donné un cadeau aux enfants.
Il a donné un cadeau à moi.
Il lui a donné un cadeau.
Il leur a donné un cadeau.
il m'a donné un cadeau.
Slide 10 - Sleepvraag
Vervang het meew. vw door een pers. vnw. Welke zin is goed?
Il demande à moi de l'aider.
A
Il te demande de l'aider.
B
Il me demande de l'aider.
C
Il se demande de l'aider.
D
Il demande me de l'aider.
Slide 11 - Quizvraag
Vervang het meew. vw door een pers. vnw. Welke zin is goed?
Matteo n'a pas répondu au prof.
A
Matteo n' a lui pas répondu .
B
Matteo ne m' a pas répondu.
C
Matteo ne lui a pas répondu .
D
Matteo n' a pas lui répondu.
Slide 12 - Quizvraag
Wat is de plaats in de zin van het pers. vnw. als meew. vw?
A
Altijd voor de persoonsvorm.
B
Altijd voor het voltooid deelwoord.
C
Als er een heel werkwoord in de zin staat , dan voor het hele werkwoord.
D
Als er een heel werkwoord in de zin staat , dan na het hele werkwoord.
Slide 13 - Quizvraag
Noem 2 werkwoorden die het voorzetsel à achter zich krijgen.
Wij gebruiken cookies om jouw gebruikerservaring te verbeteren en persoonlijke content aan te bieden. Door gebruik te maken van LessonUp ga je akkoord met ons cookiebeleid.