20250227_Futur simple

Le futur simple
1 / 34
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 34 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Le futur simple

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoel
Aan het eind van deze les kan je de futur simple
  1. herkennen
  2. vervoegen
  3. onderscheiden van de futur proche

Slide 2 - Tekstslide

Le futur simple
  • Wat weet je nog over de futur simple?

  1. hoe noemt de tijd in het Nederlands
  2. wanneer gebruik je de tijd?  
  3. waar situeert de tijd zich t.a.v. de futur proche?
  4. hoe vertaal je de futur simple?
  5. hoe vorm je de futur simple?

Slide 3 - Tekstslide

Le futur simple: vorming regelmatige werkwoorden
NQL3 rév des verbes  p.18
Hele ww
Uitgang
Futur simple
Je
manger
-ai
Je mangerai
Tu
parler
-as
Tu parleras
Il / Elle / On
finir
-a
Il finira
Nous
manger
-ons 
Nous mangerons
Vous
manger
-ez
Vous mangerez
Ils / Elles
entendre
-ont
Ils entendront

Slide 4 - Tekstslide

Le futur simple: vorming regelmatige werkwoorden  - NQL3 rév des verbes  p.18
les verbes régulier = infinitief/infinitief -e (verbes en -re) + de uitgangen van avoir 
Uitgang avoir
Uitgang
FS
Futur simple
Je/j'
ai
-ai
Je mangerai
Tu
as
-as
Tu mangeras
Il / Elle / On
a
-a
Il mangera

Slide 5 - Tekstslide

Le futur simple: vorming regelmatige werkwoorden - NQL3 rév des verbes  p.18
Futur simple = infinitief/infinitief -e (verbes en -re) + de uitgangen van avoir 
Uitgang avoir
Uitgang
Futur simple
Nous
avons
-ons 
Nous mangerons
Vous
avez
-ez
Vous mangerez
Ils / Elles
ont
-ont
Ils mangeront

Slide 6 - Tekstslide

Le futur simple = toekomende tijd
ik zal werken
jij zal fietsen
hij zal lopen
wij zullen eten
jullie zullen spreken
zij zullen kopen

Slide 7 - Tekstslide

Le fs - onregelmatige ww

Onregelmatige werkwoorden hebben een onregelmatige futur simple. 
De stam van deze werkwoorden in de futur simple moet je dus uit je hoofd leren.

Slide 8 - Tekstslide

Onregelmatige ww. - p. 18 

Slide 9 - Tekstslide

Onregelmatige ww. - p. 18 

Slide 10 - Tekstslide

De futur simple vertaal ik met:
A
zal/zullen
B
zou/zouden

Slide 11 - Quizvraag

Ik zal spreken
Hij zal eten
Nous partirons
Jullie zullen uitgaan
Zij zullen vinden
Je parlerai
Il mangera
Wij zullen vertrekken
Vous sortirez
Ils trouveront

Slide 12 - Sleepvraag

Wat is de futur simple?
A
tegenwoordige tijd
B
voltooide tijd
C
toekomende tijd
D
verleden tijd

Slide 13 - Quizvraag

Jij zult afmaken (finir)
A
Tu finiras
B
Tu vas finir
C
Tu finira
D
Tu finirais

Slide 14 - Quizvraag

futur simple
perdre: tu

Slide 15 - Open vraag

on (dormir - futur simple)

Slide 16 - Open vraag

Au travail
Werkboek achteraan p. 18 

P. 19 ex. 1 &2 & 3

p. 20 ex. 2 et 3  

Slide 17 - Tekstslide

Gebruik de futur simple
nous [peser]

Slide 18 - Open vraag

Au travail
Faire: les exercices sur Diddit (défi 3 mission 2) -->
1) le futur simple 2
2) le futur simple


Slide 19 - Tekstslide

Le futur simple
Au travail!
  • P. 19 ex. 1 - onderlijn de FS
  • p. 19 ex. 2 - vul de FS aan
  • p. 19 ex. 3 - vul de FS in
  • p. 20 ex. 2 - zet mv in enk - vb. nous -> je
  • p. 20 ex. 3 - zet ww. om in FS

Slide 20 - Tekstslide

De futur maak je met een vorm van gaan (aller) + hele werkwoord?
A
vrai
B
faux

Slide 21 - Quizvraag

Hoe maak je de futur?
(Algemene regel)
A
stam+e,es,e,ons,ez,ent
B
stam nous-vorm + ais,ais,ait,ions,iez,aient
C
hele ww+ ai,as,a,ons,ez,ont
D
avoir/être + volt.dw stam+e,u,i

Slide 22 - Quizvraag

Futur simple
A
Tu vas visiter Paris
B
Tu vas aller Paris
C
Tu visitera Paris
D
Tu visiteras Paris

Slide 23 - Quizvraag

Ik zal verliezen
A
Je perdrai
B
Je perdrera
C
Je perdais
D
Je vais perdre

Slide 24 - Quizvraag

il ________ (danser -futur)
A
danse
B
dansera
C
dansais
D
ai dansé

Slide 25 - Quizvraag

nous ________ (réfléchir -futur)
A
réfléchons
B
réfléchirons
C
réfléchirez
D
réfléchissons

Slide 26 - Quizvraag

elles ________ (vendre -futur)
A
vendreont
B
vendrent
C
vendront
D
vendrent

Slide 27 - Quizvraag

futur simple:
men zal maken
A
vous ferez
B
on faisait
C
on fera
D
on faira

Slide 28 - Quizvraag

zij zullen hebben (futur simple)
A
Ils ont
B
Ils auront
C
Ils aurent
D
Ils avoiront

Slide 29 - Quizvraag

futur simple:
jullie zullen zijn
A
vous serez
B
nous serons
C
vous êtrez
D
vous étiez

Slide 30 - Quizvraag

Nous ... (choisir, futur)

Slide 31 - Open vraag

Je ... (rencontrer, futur)

Slide 32 - Open vraag

Vous ... (entendre, futur)

Slide 33 - Open vraag

Slide 34 - Link