V3 §2.2 Meer dan een kracht - les 1

§2.2 Meer dan een kracht


- Neem plaats op je eigen plek
- Pak je iPad voor LessonUp
- Pak je rekenmachine
- Ben stil wanneer iemand anders praat
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

§2.2 Meer dan een kracht


- Neem plaats op je eigen plek
- Pak je iPad voor LessonUp
- Pak je rekenmachine
- Ben stil wanneer iemand anders praat

Slide 1 - Tekstslide

Voor de vakantie hebben we besproken wat voor krachten er zijn, hoe we die berekenen en tekenen. Wat weten jullie nog van deze les?

Slide 2 - Open vraag

Slide 3 - Tekstslide

Krachtmeter



  • F (force) = kracht in Newton (N)
  • m = massa in kilogram (kg)
  • g = aantrekking  (N/kg) > Altijd 9,8 N/kg op aarde

F = m • g

Slide 4 - Tekstslide

Een voorwerp heeft een massa van 10 kg. Wat is de zwaartekracht?
A
10 N
B
98 N
C
980 N
D
1 N

Slide 5 - Quizvraag

Een appel heeft een massa van 0,2 kg. Wat is de zwaartekracht op de appel?
A
1960 N
B
19,6 N
C
1,96 N
D
200 N

Slide 6 - Quizvraag

Er werkt een zwaartekracht van 50 N op een voorwerp. Hoe zwaar is het voorwerp?
A
5,1 kg
B
0,51 kg
C
50 kg
D
500 kg

Slide 7 - Quizvraag

Krachtenschaal

Slide 8 - Tekstslide

Maaike tekent een kracht van 20N met een krachtenschaal 1 cm ≙ 5 N.
Hoe lang wordt de pijl?
A
0,25 cm
B
4 cm
C
20 cm
D
100 cm

Slide 9 - Quizvraag

We tekenen een kracht van 49 N met een pijl van 9,8cm. Welke krachtenschaal gebruiken we?
A
1 cm ≙ 0,2 N
B
1 cm ≙ 0,5 N
C
1 cm ≙ 5 N
D
1 cm ≙ 480 N

Slide 10 - Quizvraag

We tekenen een kracht van 84N en gebruiken een krachtenschaal van 1 cm ≙ 20 N. Hoelang is de pijl?
A
4,2 cm
B
42 cm
C
20 cm
D
84 cm

Slide 11 - Quizvraag

Leerdoelen

2.2.1 Je kunt twee situaties beschrijven waarin een kracht evenwicht met de zwaartekracht maakt.
2.2.2 Je kunt beredeneren hoe groot een kracht moet zijn om evenwicht te maken.
2.2.5 Je kunt de resultante berekenen als twee of meer krachten langs dezelfde lijn liggen.
2.2.6 Je kunt met de parallellogrammethode de resultante bepalen als krachten een hoek maken.
2.2.7 Je kunt de grootte van de resultante berekenen als de krachten loodrecht op elkaar staan. (plusstof)

Slide 12 - Tekstslide

Wat gebeurt er met armpje drukken als beide personen even sterk zijn?

Slide 13 - Open vraag

Armpje drukken = natuurkunde

Slide 14 - Tekstslide

Krachten in evenwicht

Slide 15 - Tekstslide

Normaal kracht (Fn)

Slide 16 - Tekstslide

Welke krachten werken op dit meisje?

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Resultante Kracht : Fres



Als krachten in evenwicht zijn is de resulterende kracht 0 N

Slide 19 - Tekstslide




Als krachten dezelfde kant op werken, tel je ze bij elkaar op

Slide 20 - Tekstslide






Krachten die elkaar tegenwerken trek je van elkaar af

Slide 21 - Tekstslide

Voorbeeld vraag
In een wedstrijdje armpje drukken duwt persoon 1 met 189N naar rechts, persoon 2 met 191N naar links. Wie wint en met hoeveel Newton?

Slide 22 - Tekstslide

Wat als krachten in een willekeurige hoek werken?

Slide 23 - Tekstslide





Als twee krachten in verschillende richtingen werken kun je de resulterende kracht tekenen door een parallellogram te tekenen

Slide 24 - Tekstslide

Krachten bepalen of berekenen?
Als je een krachtenschaal hebt kun je Fres opmeten, het is echter nauwkeuriger om hem te berekenen 

Stelling van Pythagoras:

Slide 25 - Tekstslide

Voorbeeld
F1 = 12 N
F2 = 18 N

Wat is Fres?

Oplossen met stelling van pythagoras

Slide 26 - Tekstslide

Voorbeeld

Slide 27 - Tekstslide

Leerdoelen

2.2.1 Je kunt twee situaties beschrijven waarin een kracht evenwicht met de zwaartekracht maakt.
2.2.2 Je kunt beredeneren hoe groot een kracht moet zijn om evenwicht te maken.
2.2.5 Je kunt de resultante berekenen als twee of meer krachten langs dezelfde lijn liggen.
2.2.6 Je kunt met de parallellogrammethode de resultante bepalen als krachten een hoek maken.
2.2.7 Je kunt de grootte van de resultante berekenen als de krachten loodrecht op elkaar staan. (plusstof)

Slide 28 - Tekstslide

Wat is niet belangrijk voor het tekenen van een krachtenpijl?
A
De lengte van de pijl
B
De dikte van de pijl
C
De richting van de pijl
D
Het beginpunt

Slide 29 - Quizvraag

Wat weet je over het zwaartepunt?
A
Deze is heel erg zwaar
B
Deze ligt vaak wat lager dan het midden
C
Deze ligt in het midden van de massa
D
Deze ligt altijd in het midden

Slide 30 - Quizvraag

Stel je gaat de zwaartekracht tekenen van een persoon. Waar begint de pijl dan?
A
Net boven zijn hoofd
B
Net onder zijn voeten
C
In het zwaartepunt
D
In het midden

Slide 31 - Quizvraag

Stel je gaat de zwaartekracht tekenen van een persoon. Welke richting gaat de pijl dan op?
A
Naar rechts
B
Naar beneden
C
Naar links
D
Naar boven

Slide 32 - Quizvraag

Stel je gaat de zwaartekracht van een zware en een lichte doos tekenen. Welke pijl is dan langer?
A
Dat kun je niet weten
B
Die van de zware doos
C
Die van de lichte doos
D
Ze zijn beide even lang

Slide 33 - Quizvraag

Een getekende kracht is 4,3cm. De schaal is 1 cm ≙ 25 N. Hoe groot is de kracht? (Geef je antwoord met 1 cijfer achter de komma, en de eenheid natuurlijk!)

Slide 34 - Open vraag

Je tekent een krachtenpijl van 152 N. De schaal is 1 cm≙40 N. Hoe lang moet je de pijl tekenen in cm?

Slide 35 - Open vraag

Je tekent een krachtepijl van 5,6N. Je maakt deze pijl 3,1cm lang. Wat is de juiste schaal?
1 cm ≙ ..... N (1 cijfer achter de komma)

Slide 36 - Open vraag


A
Tussen de bal en de voet
B
In het midden van de voet
C
In het midden van de bal
D
In het zwaartepunt van de bal

Slide 37 - Quizvraag

Om een aluminium staaf worden twee ringmagneten geschoven. De bovenste magneet blijft daarna zweven

Welke twee krachten werken op de bovenste ring?

Slide 38 - Tekstslide

Welke krachten werken hier?

Slide 39 - Tekstslide