Quiz hoofdstuk 3.3 verzekeren

Hoofdstuk 3.3 Verzekeren
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 3.3 Verzekeren

Slide 1 - Tekstslide

Je sluit een verzekering af, dan ben jij de …
A
verzekeraar
B
verzekerde

Slide 2 - Quizvraag

Als je een verzekering afsluit, betaal je eenmalig..
A
belasting
B
premie
C
assurantie
D
poliskosten

Slide 3 - Quizvraag

Hoe hoog is de assurantiebelasting?
A
0%
B
9%
C
20%
D
21%

Slide 4 - Quizvraag

Je sluit een verzekering af. De premie is € 50 per jaar. De poliskosten zijn € 12.
Hoe hoog zijn de verzekeringskosten per jaar inclusief assurantiebelasting?
A
€ 50,00
B
€ 60,50
C
€ 62,00
D
€ 75,02

Slide 5 - Quizvraag

Wat betekent risico-aversie?
A
dat je graag risico's neemt
B
dat je risico's vermijdt
C
dat je niet graag een verzekering afsluit
D
dat je een hekel hebt aan mensen die zich verzekeren

Slide 6 - Quizvraag

Wat betekent een schade "claimen"?
A
Je verzekeren voor een mogelijke schade
B
Je gemaakte schade zelf betalen.
C
Opscheppen over het feit dat je verzekerd bent.
D
Bij de verzekering je gemaakte schade melden.

Slide 7 - Quizvraag

De kans dat je schade rijdt aan je auto is 1x in de 7 jaar. Het gemiddeld schadebedrag is dan € 1.400.
Hoe hoog zijn de kosten van het risico op schade per jaar?
A
€ 70
B
€ 200
C
€ 700
D
€ 1.400

Slide 8 - Quizvraag

De kans dat je schade rijdt aan je auto is 1x in de 7 jaar. Het gemiddeld schadebedrag is dan € 1.400.
De premie van een schadeverzekering zijn € 20 per maand inclusief belasting. Er zijn geen poliskosten.
--> Moet je je wel/niet verzekeren?
A
wel
B
niet

Slide 9 - Quizvraag

Wel/niet verzekeren?
  • De kans dat je schade rijdt aan je auto is 1x in de 7 jaar. 
  • Het gemiddeld schadebedrag is dan € 1.400.
    --> risico kost € 1.400 / 7 = € 200 per jaar.

  • De kosten van een schadeverzekering zijn € 20 per maand. 
    --> €20 x 12 = € 240 per jaar. 
  • Dus niet verzekeren, want premie kost meer dan het risico.

Slide 10 - Tekstslide

Wat is een risico voor een verzekeringsmaatschappij?
A
solidariteit
B
premiedifferentiatie
C
moreel wangedrag
D
eigen risico

Slide 11 - Quizvraag

Hoe kan een verzekeraar het risico van moreel wangedrag verkleinen?
A
eigen risico
B
informatie geven
C
algemene premieverhoging
D
premiedifferentiatie

Slide 12 - Quizvraag

In NL zijn we allemaal verplicht verzekerd voor zorgkosten.
Hoe heet dat?
A
Verplichte solidariteit
B
Verplichte solvabiliteit
C
Verplichte aanvullende verzekering

Slide 13 - Quizvraag

Nog wat vragen uit 3.1 en 3.2

Slide 14 - Tekstslide

Wat zijn leenmotieven? Meerdere antwoorden mogelijk
A
Tijdelijk geld tekort
B
dure aankoop niet uitstellen
C
dringend geld nodig
D
Alle 3 antwoorden zijn goed

Slide 15 - Quizvraag

Je spaart voor een camera. Je wilt ook geld achter de hand hebben voor als de camera kapot gaat. Wat zijn de 2 spaarmotieven?

A
Sparen uit voorzorg en voor de rente
B
Sparen voor de rente en sparen voor een doel
C
Sparen voor een doel en sparen uit voorzorg

Slide 16 - Quizvraag

Nominale rente
Reële rente
Inflatie
Verandering koopkracht
Algemene prijsstijging
Rente van de bank

Slide 17 - Sleepvraag

Nominale rente = 10%
Inflatie = 6%
Wat is de reële rente?
A
4%
B
6%
C
5,2%
D
10%

Slide 18 - Quizvraag

De reële rente is lager dan de nominale rente
A
de inflatie is hoger dan nul
B
de inflatie is negatief
C
de nominale rente is gelijk aan de inflatie
D
de reële rente wordt niet beïnvloed door de inflatie

Slide 19 - Quizvraag

Hypotheek is...
A
Een verzekering voor schade aan je woning.
B
Een spaarrekening speciaal voor het kopen van een huis.
C
en verplichte belasting die huiseigenaren moeten betalen.
D
n lening die je afsluit om een huis te kopen, waarbij het huis als onderpand dient.

Slide 20 - Quizvraag

Lening voor de aankoop van een huis, waarbij het huis als onderpand dient voor de bank.
Je leent een vast bedrag je betaalt het terug met rente
Huren van producten voor een bepaalde tijd. Je wordt geen eigenaar. Dit is vooral bij vervoermiddelen en gebouwen.

Een lening voor de aankoop van duurzame consumptiegoederen, zoals meubels of een auto.
Consumptief krediet
Hypothecaire lening
Persoonlijke lening
Leasing

Slide 21 - Sleepvraag

Ga je een voldoende halen voor deze toets?
A
Jazeker :-)
B
Ja, maar dan moet ik eerst nog goed leren en oefenen.
C
Ik denk het niet :-(
D
Toets? Dat duurt nog zo lang... vraag het me dan nog eens..

Slide 22 - Quizvraag