a2c 27-3-25


Aujourd'hui on va...
Faire un quiz
Se préparer à l'examen

Aan het einde van deze les ben je voorbereid op de toets en kun je geschreven vragen beantwoorden.



Est-ce que j'ai ...
Mon ordinateur?
Mon livre B?
Un cahier?
Un stylo?
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les


Aujourd'hui on va...
Faire un quiz
Se préparer à l'examen

Aan het einde van deze les ben je voorbereid op de toets en kun je geschreven vragen beantwoorden.



Est-ce que j'ai ...
Mon ordinateur?
Mon livre B?
Un cahier?
Un stylo?

Slide 1 - Tekstslide

Kies het juiste woord en vertaal:
Tu vas (répondre à/oser) mon message?

Slide 2 - Open vraag

Kies het juiste woord en vertaal:
(la nausée/la cuillère) est insupportable, je vais vomir!

Slide 3 - Open vraag

Welk woord past in de zin?
Aïe! J'ai mal à ......
A
l'orthodontiste
B
la solution
C
l'hôpital
D
la langue

Slide 4 - Quizvraag

Vous toussez beaucoup! Vous êtes ..... malade!
A
en forme
B
probablement
C
cogné
D
par précaution

Slide 5 - Quizvraag

Vertaal:
Hij wacht.
A
Il attend
B
Il entende
C
Il attends
D
Il entend

Slide 6 - Quizvraag

Vertaal:
Zij heeft het boek ingeleverd.
A
Elle a rendue le livre.
B
Elle est rendue le livre.
C
Elle a rendu le livre.
D
Elle a rendé le livre.

Slide 7 - Quizvraag

Vertaal:
Ik sta vroeg op.
A
Je te lève tôt.
B
Je me lèves tôt.
C
Je lève tôt.
D
Je me lève tôt.

Slide 8 - Quizvraag

Jullie hebben je vergist.
A
Vous s'êtes trompées.
B
Vous vous êtes trompés.
C
Vous vous avez trompues.
D
Vous vous avez trompés.

Slide 9 - Quizvraag

Vervoeg in de présent: Ils ..... (aller)
Vul alleen het werkwoord in.

Slide 10 - Open vraag

Vervoeg in de passé composé:
Elle ..... (aller)
Vul alleen de werkwoorden in.

Slide 11 - Open vraag

Vertaal (en vergeet de punt niet):
Ik heb pijn aan mijn oren.

Slide 12 - Open vraag

Vertaal (en vergeet de punt niet):
Ik heb pijn aan mijn neus.

Slide 13 - Open vraag

Maak de zin ontkennend:
Il éternue tout le temps. (pas)

Slide 14 - Open vraag

Maak de zin ontkennend:
Nous sommes allés chez le médecin. (jamais)

Slide 15 - Open vraag

Slide 16 - Tekstslide

Wat kun je doen?
- Oefentoets maken
- Zinnen maken en zelf nakijken of door mij laten controleren.
- Grammaire extra: p. 47-49
- Woordjes leren.

Slide 17 - Tekstslide