Oefenen voor Examen 1

Oefenen voor Examen 1
Benodigdheden:
BINAS
Pen en papier
Rekenmachine
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Oefenen voor Examen 1
Benodigdheden:
BINAS
Pen en papier
Rekenmachine

Slide 1 - Tekstslide

Vraag 1
Koolstofdioxide ontstaat doordat natriumwaterstofcarbonaat reageert met zuur. Om na te gaan of er voldoende zuur aanwezig is om alle waterstofcarbonaat te laten reageren, meet Layla na afloop van de reactie de pH. Deze blijkt 3,90 te zijn.


Bereken [H+] in mol/L in de ontstane oplossing in het juiste aantal significante cijfers.

Slide 2 - Tekstslide

Vul hier jouw antwoord op vraag 1 in

Slide 3 - Open vraag

Antwoord Vraag 1

[H+] = 10-pH

[H+] = 10-3,90   =   1,25892 x 10-4 mol/L   =   1,3 x 10-4 mol/L

Let op: Aantal decimalen in de pH-waarde is gelijk aan het aantal significante cijfers in de [H+]

Slide 4 - Tekstslide

Vraag 2
Er zijn veel stoffen bekend met zwavelatomen in het molecuul. Eén van deze stoffen is butaanthiol. De formule is C4H9SH.


Bereken het massapercentage zwavel in C4H9SH. 
Geef je antwoord in 4 significante cijfers.

Slide 5 - Tekstslide

Vul hier jouw antwoord op vraag 2 in

Slide 6 - Open vraag

Antwoord Vraag 2
Molecuulmassa C4H9SH = 90,18 u

Atoommassa S = 32,06 u

Massapercentage S = ( 32,06 / 90,18 ) x 100%  =  35,55 % 

4 significante cijfers

Slide 7 - Tekstslide

Vraag 3
Van zink zijn er een paar isotopen bekend.
Het meest voorkomende isotoop van zink heeft een massagetal van 64. 

Uit hoeveel protonen, neutronen en elektronen bestaat een zinkatoom met massagetal 64?
  


Slide 8 - Tekstslide

Vul hier jouw antwoord op vraag 3 in

Slide 9 - Open vraag

Antwoord Vraag 3
Zink heeft atoomnummer 30
Dit betekent 30 protonen en 30 elektronen

Massagetal = aantal protonen + aantal neutronen = 64
Dus 64 - 30 = 34 neutronen
  


Slide 10 - Tekstslide

Vraag 4
Volgens richtlijnen van de Europese Commissie mag drinkwater niet meer dan 50 mg nitraationen per liter bevatten. De ADI-waarde voor nitraat is 3,7 mg NO3per kg lichaamsgewicht.

Bereken hoeveel liter drinkwater met 50 mg NO3 per liter een persoon van 67 kg per dag maximaal mag drinken zonder dat de ADI-waarde wordt overschreden.


Slide 11 - Tekstslide

Vul hier jouw antwoord op vraag 4 in

Slide 12 - Open vraag

Antwoord Vraag 4
Deze persoon mag 67 x 3,7 = 247,9 mg NO3–  in totaal binnen krijgen.

Dit betekent dat deze persoon 247,9 / 50 = 4,958 = 5,0 L drinkwater mag binnen krijgen zonder dat de ADI-waarde wordt overschreden.

2 significante cijfers


Slide 13 - Tekstslide

Vraag 5
Zouten bestaan uit positieve en negatieve ionen. Sommige zouten bestaan zelfs uit meerdere soorten positieve en negatieve ionen, zoals de stof natrojarosiet.

Leg uit welke lading de ijzer-ionen hebben in de stof natrojarosiet, NaFe3(SO4)2(OH)6

Slide 14 - Tekstslide

Vul hier jouw antwoord op vraag 5 in

Slide 15 - Open vraag

Antwoord Vraag 5
In Natrojarosiet, NaFe3(SO4)2(OH)6 , zitten de volgende ionen:
1 x Na+ = 1 +              2 x SO42- = 4 -            6 x OH- = 6 -         3 x Fe?

Er is dus al 1 + en 10 - aan lading. In totaal is de lading van een zout altijd nul!

De 3 ijzer-ionen moeten samen dan 9 + zijn om een neutraal zout te krijgen.

Elk ijzer-ion heeft dus een lading 3 +

Slide 16 - Tekstslide

Vraag 6

Geef de chemische naam van Fe2O3
Maak hierbij gebruik van een Romeins cijfer.

Slide 17 - Tekstslide

Vul hier jouw antwoord op vraag 6 in

Slide 18 - Open vraag

Antwoord Vraag 6
Fe2O3 bestaat uit de ionen Fe3+ en O2- 

Van ijzer zijn er meerdere ionsoorten bekend en dus moet je een Romeins cijfer gebruiken.

De naam is dus: ijzer(III)oxide

Slide 19 - Tekstslide

Vraag 7
De vergelijking van een halfreactie is hieronder onvolledig weergegeven. 

CH4S    ----->    C2H6S2  +     H+

Neem de vergelijking over. Zet aan de juiste kant van de pijl e- en maak de vergelijking kloppend.


Slide 20 - Tekstslide

Vul hier jouw antwoord op vraag 7 in

Slide 21 - Open vraag

Antwoord Vraag 7


2 CH4S    ----->    C2H6S2      +     2 H+    +    2 e-




Slide 22 - Tekstslide

Well done!

Slide 23 - Tekstslide