HV1 H.2 taalverzorging 2.2 spelling van de werkwoorden HERHALING

 Werkwoordspelling
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

 Werkwoordspelling

Slide 1 - Tekstslide

Huiswerk bespreken

Herhaling
- persoonsvorm verleden tijd
- voltooid deelwoord

Slide 2 - Tekstslide

Hoe weet je hoe je de verleden tijd van branden moet schrijven >
Ik ..... mijn vingers gisteren aan de hete pan.
LEG UIT!

Slide 3 - Open vraag

Hoe weet je hoe je het voltooid deelwoord van feliciteren moet schrijven >
Mijn vriendin heeft mij ...... met mijn verjaardag.
LEG UIT!

Slide 4 - Open vraag

Jonas bedoelt het goed.
Jonas heeft het goed bedoeld.
Wat is het verschil tussen bedoelt en bedoeld?
LEG UIT

Slide 5 - Open vraag

- We bespreken en oefenen met de persoonsvormen van werkwoorden.

- We bekijken hoe werkwoorden vervoegd kunnen worden.

- We bekijken de persoonsvormen in de tegenwoordige tijd en oefenen met deze vorm.


Wat gaan we doen?

Slide 6 - Tekstslide

Na deze les weet je weer:

- hoe je de persoonsvorm in de tegenwoordige tijd
  op de juiste manier kunt vervoegen.

- wat de drie kenmerken die invloed hebben op
  de persoonsvorm zijn: getal, persoon en tijd.

- dat het getal van de persoonsvorm en het
  onderwerp altijd gelijk moeten zijn.
   

Leerdoelen

Slide 7 - Tekstslide

  • Werkwoorden kun je vervoegen. Dat wil zeggen dat je de vorm van het werkwoord aanpast, zodat deze goed in de zin past.

  • De persoonsvorm is een vervoegde vorm van het werkwoord. Hij bevat veel grammaticale informatie over de zin waar hij in staat. 
   
  • Als je in een zin een of meer kenmerken verandert, dan verandert ook de persoonsvorm.

Slide 8 - Tekstslide

Drie kenmerken hebben invloed op de persoonsvorm:

1. Getal: enkelvoud of meervoud? Het getal van de
   persoonsvorm is altijd hetzelfde als het onderwerp.

2. Persoon: eerste, tweede of derde persoon
    De persoonsvorm staat altijd in dezelfde persoon als het
    onderwerp.

3. Tijd: tegenwoordige of verleden tijd?
   

Slide 9 - Tekstslide

persoon
getal
1e persoon
enkelvoud
ik
2e persoon
enkelvoud
je, jij
3e persoon
enkelvoud
hij, zij (ev), het (het meisje, de man enz.)
1e persoon
meervoud
wij, we
2e persoon
meervoud
jullie
3e persoon
meervoud
zij, (de leerlingen enz.)

Slide 10 - Tekstslide

persoon
getal
tijd
1e persoon
enkelvoud
tegenwoordige tijd
ik lach
2e persoon
enkelvoud
tegenwoordige tijd
jij lacht
3e persoon
enkelvoud
tegenwoordige tijd
zij lacht
1e persoon
meervoud
tegenwoordige tijd
we lachen
2e persoon
meervoud
tegenwoordige tijd
jullie lachen
3e persoon
meervoud
tegenwoordige tijd
zij lachen

Slide 11 - Tekstslide

Voorbeeldvraag


   

Vul de juiste vorm van het werkwoord in en noteer ook een onderwerp:

3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: werken


Hij werkt
onderwerp      persoonsvorm
Mijn zus werkt
onderwerp      persoonsvorm

Slide 12 - Tekstslide


Vul de juiste vorm van het werkwoord in en noteer ook een onderwerp:

1e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: reizen

Slide 13 - Open vraag


Vul de juiste vorm van het werkwoord in en noteer ook een onderwerp:

2e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: breken

Slide 14 - Open vraag


Vul de juiste vorm van het werkwoord in en noteer ook een onderwerp:

2e persoon meervoud tegenwoordige tijd: slapen

Slide 15 - Open vraag


Vul de juiste vorm van het werkwoord in en noteer ook een onderwerp:

3e persoon enkelvoud tegenwoordige tijd: verbeteren

Slide 16 - Open vraag

1e persoon
enkelvoud
tegenwoordige tijd
2e persoon
enkelvoud
tegenwoordige tijd
3e persoon
enkelvoud
tegenwoordige tijd
1e persoon
meervoud
tegenwoordige tijd
2e persoon
meervoud
tegenwoordige tijd
3e persoon
meervoud
tegenwoordige tijd
Jullie vertalen de tekst.
Wij koken de aardappels.
Bestel jij een boek?
Het kipje scharrelt op het erf.
Ik fiets naar de stad.
De docenten geven de toets op.

Slide 17 - Sleepvraag

Wat zijn de stappen die je neemt als je een werkwoord in de tegenwoordige tijd moet vervoegen?
Ik ..... (begeleiden) een leerling uit groep 8.
LEG UIT

Slide 18 - Open vraag

Wat is het belangrijkste verschil tussen het vervoegen van een werkwoord in de tegenwoordige tijd en het vervoegen van een werkwoord in de verleden tijd?
LEG UIT

Slide 19 - Open vraag

Aan de slag A1d

Maken: 9.2 Spelling, opdracht 11 (opdracht 11 maak je op 4 losse blaadjes, die liggen voorin de klas) + 12, blz. 87 / 88

   

Slide 20 - Tekstslide

Aan de slag H1b

Maken: 9.2 Spelling, opdracht 12 (opdracht 11 maak je op 4 losse blaadjes, die liggen voorin de klas) + 13, blz. 80 t/m 82

   

Slide 21 - Tekstslide