In deze les zitten 11 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.
Lesduur is: 30 min
Onderdelen in deze les
Slide 1 - Tekstslide
CSE Nederlands
lees- en schrijfvaardigheid
examen duurt 120 minuten ( 2uur)
leesvaardigheid: vragen/opdrachten bij een aantal teksten
schrijfvaardigheid: één schrijfopdracht (artikel, zakelijke brief, e-mail)
Slide 2 - Tekstslide
Je krijgt de vraag om een brief te schrijven naar een verzekeringsbedrijf. Je weet niet precies op welke afdeling je brief terechtkomt en je weet de naam van de ontvanger ook niet.
A
Beste meneer, mevrouw,
B
Geachte heer, mevrouw,
C
Geachte medewerker,
D
Mijne heren,
Slide 3 - Quizvraag
Stel je reageert met een ingezonden stuk op een artikel in de krant over een concert dat jij hebt bezocht. De schrijver schrijft daarin dat het concert echt niet de moeite waard is om te bezoeken. Jij bent het daar niet mee en daar heb je argumenten voor.
A
informeren
B
amuseren
C
tot handelen aanzetten
D
overtuigen
Slide 4 - Quizvraag
Slide 5 - Video
De aanleiding van het schrijven is...
A
het gevolg van de schrijfopdracht
B
de feiten die je bij het onderwerp op hebt gezocht
C
de reden voor het schrijven
D
de conclusie bij het probleem
Slide 6 - Quizvraag
Slide 7 - Video
Wat is de betekenis van het vetgedrukte examenwoord in de zin? Kies het juiste antwoord. Citeer de kernzin van alinea 2.
A
schrijf letterlijk over
B
zeg in eigen woorden
C
onderstreep
Slide 8 - Quizvraag
Het examen Nederlands bestaat uit de volgende onderdelen:
A
Vragen bij teksten en een schrijfopdracht
B
Alleen vragen bij meerdere teksten
C
Vragen bij teksten en een samenvatting
D
Vragen over jouw boek en een samenvatting
Slide 9 - Quizvraag
Wat wordt bedoeld met: 'Citeer een zinsgedeelte uit de tekst'
A
neem 1 zin uit de tekst over
B
neem 1 woord uit de tekst over
C
neem een stukje zin uit de tekst over
D
neem een paar zinnen uit de tekst over
Slide 10 - Quizvraag
Wat betekent het woord woordgroep?
"met welke woordgroep wordt hetzelfde bedoeld als 'consumeren' "
A
een zin die je moet citeren
B
een zin in een alinea
C
de hoofdgedachte in het slot
D
twee of meer woorden die in een zin naast elkaar staan