Les 9 en 10

De wereld na 1945 en
Internationale organisaties
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
GeschiedenisMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

De wereld na 1945 en
Internationale organisaties

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen
  1. Hoe veranderen de machtsverhoudingen door het einde van de Koude Oorlog?
  2. Hoe is de EU georganiseerd en welke invloed heeft zij in lidstaten?
  3. Welke gevolgen heeft de Europese samenwerking voor Nederlanders? 

Slide 2 - Tekstslide

Nederland moest na de Tweede Wereldoorlog opnieuw opgebouwd worden. Waardoor lukte dit zo goed? Geef één binnenlandse oorzaak en één buitenlandse oorzaak. (2)

Slide 3 - Open vraag

Antwoord 
- Binnenlands: geleide loonpolitiek, 'hard werken, zuinig leven' harmoniemodel 
- Buitenlands: Marshallhulp vanuit de Verenigde Staten 

Slide 4 - Tekstslide

Welke minister president is in de jaren '50 begonnen met de opbouw van de verzorgingsstaat?
A
Colijn
B
Drees
C
Den Uyl
D
Kuyper

Slide 5 - Quizvraag

Kies de juiste antwoorden.
Wat waren oorzaken van de secularisatie?

A
Veel jongeren vonden de ideeën van de kerk ouderwets
B
Er ontstonden nieuwe waarden en normen
C
Jongeren wilden dat ouderen rekening met ze hielden
D
Er kwamen vakbonden en politieke partijen voor jongeren.

Slide 6 - Quizvraag

Bekijk eerst de bron.

De bron past bij de jeugdcultuur, want:
A
de stropdassen van The Beatles waren een uiting van een aparte jeugdcultuur.
B
het lange haar van The Beatles was een uiting van een aparte jeugdcultuur.
C
The Beatles zetten zich af tegen het gezag door de agenten de rug toe te keren.
D
Geen van de genoemde antwoorden is juist.

Slide 7 - Quizvraag

Waarom kwamen in de jaren '60 gastarbeiders uit Marokko en Turkije naar Nederland?
A
Ze werden gevraagd vanwege tekort aan arbeiders.
B
Ze vluchtten voor het regime daar.
C
Omdat die landen toen onafhankelijk werden
D
Gastarbeiders kwamen niet uit Marokko en Turkije.

Slide 8 - Quizvraag

   Europese samenwerking 

Slide 9 - Tekstslide

NA WO2
  • Europa in puin, hulp van Amerika > Marshallhulp

  • Voorwaarde: Europese samenwerking zodat oorlogen worden voorkomen

Slide 10 - Tekstslide

1951: Europese Gemeenschap voor kolen en staal. (EGKS)
  • Nederland, België, Luxemburg, Italië, Frankrijk, West-Duitsland (BRD).
  • Kolen- en staalbedrijven werkten samen, onmisbaar voor wederopbouw.
  • Toezicht op levering ervan, zo kun je niet stiekem een leger opbouwen.

Slide 11 - Tekstslide

1957: Europese Economische Gemeenschap (EEG)

  • Economische samenwerking tussen deze zes landen. 
  • EEG-landen konden voortaan zonder belemmeringen handelen met elkaar.

Slide 12 - Tekstslide

1967: Europese gemeenschap (EG)
samenvoeging van de EGKS en de EEG

  • Samenwerking op allerlei gebieden zoals economie, landbouw, industrie, kernenergie.
  • Steeds meer landen sloten aan.

Slide 13 - Tekstslide

1993: Europese Unie

1993 --> Europese Unie ipv de EG

= Samenwerkingsverband van 12 Europese landen met een gemeenschappelijke markt

Vrij verkeer van personen + goederen + diensten

  • Er ontstond één interne, Europese markt (= vrij handelen)
  • Open grenzen --> werknemers mogen in alle landen van de EU werken
  • 2002 --> invoering EURO
  • 2020 --> Brexit








Slide 14 - Tekstslide

Eisen toetreding EU

Veel economische voordelen
Eisen om toe te treden:


  • Vrijemarkteconomie
  • Democratisch zijn
  • Minderheden mogen niet onderdrukt worden

Slide 15 - Tekstslide

De 27 lidstaten van de EU
Waakhond voor het rechtsstatelijke karakter van de lidstaten

-stabiele democratie
-rechtsstaat + mensenrechten
-wetten EU overnemen       etc.


In 2025 zijn er 27 landen lid van de EU 

Slide 16 - Tekstslide

Het bestuur van Europa
De Raad van Ministers
  • Heeft de meeste macht
  • Bestaat uit ministers van verschillende EU landen
  • Nemen alle belangrijke beslissingen binnen de EU
De Europese Commissie
  • Regering van EU
  • Heeft toch niet zo veel macht
  • Doet voorstellen + controleert of EU-leden zich aan afspraken houden

Slide 17 - Tekstslide

Het bestuur van Europa

Het Europees Parlement
  • Volksvertegenwoordiging van de EU > wordt gekozen door EU burgers.
  • Geeft advies, voorstellen mogen veranderen en beslist soms mee
  • Kan besluiten van de Raad van Ministers niet tegenhouden

Slide 18 - Tekstslide

Kritiek op EU
Begin 21e eeuw --> burgers krijgen steeds meer moeite met invloed EU op hun leven

Grote kritiekmomenten
  • Crisis 2008
  • Vluchtelingencrisis


Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

In de bron is een mening te herkennen over de uitbreiding van de EU.
Welke mening over deze ontwikkeling is te herkennen in de prent?
A
De uitbreiding is goed voor de EU, want de lidstaten laten andere landen toe die kunnen bijdragen aan de EU.
B
De uitbreiding is goed voor de EU, want er zijn veel rijke landen lid geworden
C
De uitbreiding is niet goed voor de EU, want de lidstaten verzetten zich tegen de komst van nieuwe landen.
D
De uitbreiding is niet goed voor de EU, want er willen te veel landen lid worden van de EU.

Slide 21 - Quizvraag

Globalisering
1990-2005 --> sterke toename wereldhandel door:
  • verbeterde transport van grondstoffen en producten
  • ontstaan nieuwe media (= internet, e-mail, smartphones)
  • Globalisering (= economie is wereldwijd verbonden met elkaar)


Globalisering: internationale uitwisseling van mensen, goederen, geld, en informatie (zoals kennis en cultuur). Deze wereldwijde integratie heeft gezorgd voor onderlinge relaties tussen gebieden. 

Slide 22 - Tekstslide

Populisme
= Politiek waarbij mensen vinden dat er eenvoudige oplossingen zijn voor grote maatschappelijke problemen die het volk bezighouden.
Aanhangers populisme
  • Aanhangers zijn bang dat de eigen nationale cultuur verdwijnt. Geven de EU daar de schuld van.
  • Voorstanders van referendum (= volksraadpleging over wetten/maatregelen)

Slide 23 - Tekstslide

Terrorisme
Vanaf jaren 80 --> moslimfundamentalisten in het Midden-Oosten, Noord-Afrika en Afghanistan krijgen steeds meer invloed:

  • vinden dat iedereen moet leven volgens hun strenge ideeën van de islam.
  • hebben kritiek op Westerse manier van leven
  • internationaal terrorisme (= terroristen plegen overal ter wereld aanslagen) 

Slide 24 - Tekstslide

Terrorisme
Voorbeelden:
11 september 2001 (9/11) (Twin Towers Amerika)
2004 (Madrid) 
2005 (metro Londen)
2015 Parijs (Charlie Hebdo)
2016 (Metro Brussel)

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Video