Wat is LessonUp
Zoeken
Kanalen
Inloggen
Registreren
‹
Terug naar zoeken
5.8 spelling les 1 en 2
Welkom bij Nederlands
We gaan starten met hoofdstuk 5.8 Spelling
1 / 37
volgende
Slide 1:
Tekstslide
Nederlands
Middelbare school
vmbo k, g
Leerjaar 2
In deze les zitten
37 slides
, met
interactieve quizzen
,
tekstslides
en
1 video
.
Lesduur is:
30 min
Start les
Bewaar
Deel
Printen
Onderdelen in deze les
Welkom bij Nederlands
We gaan starten met hoofdstuk 5.8 Spelling
Slide 1 - Tekstslide
Wat gaan we deze paragraaf doen?
Wat weet je al van werkwoordspelling?
hoe je het schema van werkwoordspelling moet gebruiken
Doel van deze les
?
je kan Engelse werkwoorden vervoegen
je weet wanneer je een apostrof schrijft
je leert 10 dicteewoorden
Slide 2 - Tekstslide
Hoe spel je de tegenwoordige tijd?
Zoek het hele werkwoord.
Haal -en eraf, want dan heb je de
stam
.
Gebruik het werkwoord lopen als voorbeeld.
Ik loop
Jij loop
t
/ Loop jij?
Hij/zij loop
t
Wij lopen
Slide 3 - Tekstslide
Slide 4 - Video
Voltooid deelwoord
Werkwoordsvorm (vervoeging)
Er staat altijd een vorm van
hebben
,
worden
of
zijn
bij.
Twijfel tussen d of t? Gebruik
't kofschip
x
Slide 5 - Tekstslide
Slide 6 - Tekstslide
't kofschip x
ook wel 't sexy fokschaap
eindigt de ik-vorm (stam) op een letter uit het 't kofschip x
dan -te
Slide 7 - Tekstslide
T KoFSCHiP X
Slide 8 - Tekstslide
Wat is een werkwoord? Een werkwoord duidt aan:
A
mens, dier of ding
B
handeling, gebeurtenis of toestand
C
wanneer, hoe of waar iets gebeurt
D
dat iemand iets doet
Slide 9 - Quizvraag
Waar zie je een werkwoord staan?
A
onder
B
shoppen
C
verkeerd
D
hoe
Slide 10 - Quizvraag
Noteer de juiste vorm van het werkwoord verlengen:
De actie wordt met nog één week ...
A
verlengt
B
verlengd
C
verlengdt
Slide 11 - Quizvraag
Noteer de juiste vorm van het werkwoord worden in de tegenwoordige tijd:
Met het invullen ... ik geholpen.
A
wort
B
word
C
wordt
Slide 12 - Quizvraag
Noteer de juiste vorm van het werkwoord worden in de tegenwoordige tijd:
... je daar niet vreselijk moe van?
A
wort
B
word
C
wordt
Slide 13 - Quizvraag
Noteer de juiste vorm van het werkwoord worden in de tegenwoordige tijd:
Dat ... haast nooit meer gedaan.
A
wort
B
word
C
wordt
Slide 14 - Quizvraag
Noteer de juiste vorm van het werkwoord:
Die maaltijd was echt heerlijk ...
A
bereit
B
bereid
C
bereidt
Slide 15 - Quizvraag
Noteer de juiste vorm van het werkwoord:
Pas op, die deur is net ... (schilderen).
A
geschildert
B
geschilderd
Slide 16 - Quizvraag
Noteer de juiste vorm van het werkwoord:
Die boerderijen ... (branden, pv vt) gister tot de grond toe af.
Slide 17 - Open vraag
Noteer de juiste vorm van het werkwoord:
Hij ... (durven, pv vt) vorige week niet alleen over straat.
Slide 18 - Open vraag
Noteer de juiste vorm van het werkwoord verlengen:
De winkel ... de actie met één week.
A
verlengt
B
verlengd
C
verlengdt
Slide 19 - Quizvraag
Werkwoordschema
We bekijken samen het werkwoordschema op bladzijde 154
Slide 20 - Tekstslide
Aan de slag H5.8
Opdracht 1, 3, 4, 6
Dit is ook je huiswerk
Slide 21 - Tekstslide
Welkom bij Nederlands
We gaan verder met hoofdstuk 5.8 Spelling
Slide 22 - Tekstslide
Spelling ENGELSE ww.
Engelse werkwoorden:
worden volgens de gewone regels vervoegd
let op de ik-vorm;
saven,
ik save
vandaag savet hij
gisteren savede
Slide 23 - Tekstslide
Slide 24 - Tekstslide
Slide 25 - Tekstslide
Noteer de juiste vorm van het werkwoord:
Ik ... (crossen) gister door het bos.
Slide 26 - Open vraag
Noteer de juiste vorm van het werkwoord:
Dat is op het goede moment ... (timen).
Slide 27 - Open vraag
Noteer de juiste vorm van het werkwoord:
Ik heb het bestand per ongeluk ... (deleten).
Slide 28 - Open vraag
Aantekening apostrof
meervoud op Ik hOU vAn Ys
aangeven dat iets van iemand is: Ivo's jas- Felix' tas
verkleinwoorden die eindigen op Y- pony'tje
na cijfers: A4'tje
bij afkortingen: vmbo'er- BN'er
Slide 29 - Tekstslide
(Geef aan dat het boek van Hans is.)
Het is ___ boek.
Slide 30 - Open vraag
(Geef het verkleinwoord.)
Een kleine puppy is een ___.
Slide 31 - Open vraag
(Geef aan wie/wat iemand is.)
Iemand die tbs heeft gekregen, is een ____.
A
tbs'er
B
tsber
C
tbs-er
D
tbs er
Slide 32 - Quizvraag
(geef het verkleinwoord)
A5
A
A5-je
B
A5'je
C
A5je
D
A5'tje
Slide 33 - Quizvraag
Schrijf het woord in het meervoud:
taxi
A
taxies
B
taxi's
C
taxis
D
taxis'
Slide 34 - Quizvraag
Schrijf het woord in het meervoud:
pony
Slide 35 - Open vraag
Schrijf het woord in het meervoud:
serie
Slide 36 - Open vraag
Aan de slag H5.8
Opdracht 7b, 8, 9, 10, 11
Schrijf de dicteewoorden op bladzijde 159 een keer over
achter het woord.
Eerder klaar: verrijk jezelf online
Slide 37 - Tekstslide
Meer lessen zoals deze
Spelling tegenwoordige tijd en verleden tijd - basisregels en stappen
January 2025
- Les met
42 slides
Nederlands
Primary Education
Age 7
5.8 spelling
May 2023
- Les met
26 slides
Nederlands
Middelbare school
vmbo k, g
Leerjaar 2
H5 spelling
June 2022
- Les met
21 slides
Nederlands
Middelbare school
vmbo k, t
Leerjaar 2
2 basis 5.8 Spelling deel 1
May 2024
- Les met
16 slides
Nederlands
Middelbare school
vmbo b
Leerjaar 2
Spelling 5.8 - 2 kgt
February 2023
- Les met
25 slides
Nederlands
Middelbare school
vmbo k, g
Leerjaar 2
Spelling H5.8
June 2022
- Les met
25 slides
Nederlands
Middelbare school
vmbo k, g
Leerjaar 2
Spelling tegenwoordige tijd en verleden tijd - basisregels en stappen
October 2023
- Les met
42 slides
Nederlands
Primary Education
Age 7
5.8 Spelling les 3 2KGT
September 2024
- Les met
25 slides
Nederlands
Middelbare school
vmbo b
Leerjaar 1