Les 45/46 3H schooljaar 2024/25 (kw 14)

Willkommen!
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 33 slides, met tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 135 min

Onderdelen in deze les

Willkommen!

Slide 1 - Tekstslide

Block 4- Ziele
kijk- en luistertoets KW 21

leesvaardigheden-toets KW 26 (toetsweek4)

Slide 2 - Tekstslide

Block 4- Ziele
  1.  voorbereiding op de vaardigheden-toetsen
  2. voorbereiding op Klas 4
  3. grammatica en Redemittel
  • het geslacht van zelfstandige naamwoorden
  • keuzevoorzetsel I & II
  • trappen van vergelijking
  • vertaling van "naar", "bij" "voor"
  • modale werkwoord wissen
  • onvoltooid verleden tijd van haben, sein, werden
  • woordvolgorde
  • sterke werkwoorden
  • zou- vorm II
  • werkwoorden met de 1e, 3e, 4e naamval

Slide 3 - Tekstslide

Lernziele für diese Woche
  1. Je kunt de hoofdpunten begrijpen van televisieprogramma's over vertrouwde onderwerpen.
  2. Je kunt specifieke informatie begrijpen in teksten.
  3. Je kunt het geslacht van zelfstandige naamwoorden bepalen.
  4. Je kent de keuzevoorzetsel en je kunt ze met de juiste naamval toepassen.

Slide 4 - Tekstslide

Tipps zum Hören

Slide 5 - Tekstslide

Luisterstrategieën
  • Er zit geen systeem in de antwoorden. Antwoorden staan op alfabetische volgorde. 5x het antwoord B achter elkaar is dus mogelijk!
  • Blijf bij je eerste antwoord. De eerste ingeving is vaak de beste.
  • Ga uit van wat je wel weet. Raak niet in paniek als je een woord niet kent. Je hoeft niet alle woorden te kennen. Het gaat om het juiste antwoord geven. 

Slide 6 - Tekstslide

Luisterstrategieën
  • Eerst de vraag lezen en daarna luisteren. Dat helpt je bij het raden van de woorden die je niet kent. Minder kans op fouten. 
  • Blijf tijdens het luisteren regelmatig naar de vragen kijken. 

Slide 7 - Tekstslide

Welche neue Wörter hörst du?
1.Wo kann man Obst kaufen?
2.Was heißt mampfen?
3. Was macht man mit einer Apfelsine?
4. Welche Beeren gibt es?
5.Wie schmeckt die Kiwi?
6. Was bedeutet "roh essen"?

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Video

Welche neue Wörter hörst du?
1.Wo kann man Obst kaufen?
2.Was heißt mampfen?
3. Was macht man mit einer Apfelsine?
4. Welche Beeren gibt es?
5.Wie schmeckt die Kiwi?
6. Was bedeutet "roh essen"?

Slide 10 - Tekstslide

LOGO TV
Was/ Worum?
Wo?
Wer?
Wie?
Wann?
Kies 2 onderwerpen .

Schrijf tenminste 5 zinnen per onderwerp op, waarover gaat het?

Gebruik de vraagwoorden om de inhoud te omschrijven.

Slide 11 - Tekstslide

Hören- warm laufen!
K4 L3
S. 26
Aufgabe 9

Slide 12 - Tekstslide

Wegbeschreibungen
Welche Richtungen gibt es?
Was sind die wichtigsten Sätze/ Fragen?

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Video

Wegbeschreibungen
Welche Richtungen gibt es?
Was sind die wichtigsten Sätze/ Fragen?

Slide 15 - Tekstslide

Hören
K4 L3
S. 28
Aufgabe 6, 7

Slide 16 - Tekstslide

Hören
K4 L3
S. 30
Aufgabe 10

Slide 17 - Tekstslide

Hören/ Sehen
K4 L1
S. 10
Aufgabe 5

Slide 18 - Tekstslide

Geslacht zelfstandig naamwoord bepalen
mannelijk (der)
vrouwelijk (die)
onzijdig (das)
meervoud (die)
mannelijke personen
vrouwelijke personen
het-woorden in het Nederlands
mannelijke dieren
vrouwelijke dieren
verkleinwoorden
meeste woorden eindigen op: -e
woorden eindigen op: heit, keit, schaft, ung
woorden eindigen op: 
chen, 

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Und jetzt....
    üben, üben, üben !!!
K4 L1
S.  12 Aufg. 10

Slide 21 - Tekstslide

Wechselpräpositionen
Keuzevoorzetsels

Slide 22 - Tekstslide

Keuzevoorzetsels 
an
aan/op (alleen bij dagen)
auf
op
hinter
achter
neben
naast
in 
in/binnen
über
over
unter
onder
vor
voor 
zwischen
tussen

Slide 23 - Tekstslide

Keuzevoorzetsels

Slide 24 - Tekstslide

Keuzevoorzetsels

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

kort:
Als je wil bepalen welke naamval het keuzevoorzetsel in de zin krijgt, kijk je naar het hele werkwoord + voorzetsel:

hele werkwoord + voorzetsel = wanneer? = 3e naamval
hele werkwoord + voorzetsel = waar? (rust, toestand) = 3e naamval
hele werkwoord + voorzetsel = waarheen? (beweging) = 4e naamval


Slide 27 - Tekstslide

LET OP!
Waarom het hele werkwoord + voorzetsel?             vergelijk:

Ik leg het boek op de tafel.            Ik heb het boek op de tafel gelegd.
     het boek is onderweg                           het boek ligt er al
              waarheen?                                            waar?

Toch moet je in beide zinnen de 4e naamval gebruiken, want leggen op is waarheen!



Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Und jetzt....
    üben, üben, üben !!!
K4 L1
S.  14 Aufg. 11
S. 15 Aufg. 12, 13

Slide 31 - Tekstslide

ENDE
 Noch Fragen?

Slide 32 - Tekstslide

Tschüss!!!

Slide 33 - Tekstslide