A3 formatieve toets H3

Herhaling H3
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
AardrijkskundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

Onderdelen in deze les

Herhaling H3

Slide 1 - Tekstslide

Welke gassen zijn broeikasgassen?
A
Waterdamp (H2O), koolstofdioxide (CO2), stikstofgas (N2)
B
Koolstofdioxide (CO2), zuurstof (O2), methaan (CH4)
C
Waterdamp (H2O), koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4), lachgas (N2O)
D
Methaan (CH4), koolstofdioxide (CO2), stikstofgas (N2), lachgas (N2O)

Slide 2 - Quizvraag

Zonder broeikasgassen zou het op aarde veel kouder zijn.
A
ja
B
nee

Slide 3 - Quizvraag

Als er geen broeikasgassen zouden zijn hoeveel graden zou het dan gemiddeld zijn op de aarde?
A
2 °C
B
5 °C
C
-10 °C
D
-18 °C

Slide 4 - Quizvraag

Welk uitspraak over het broeikaseffect is waar?
A
Zuurstof is een broeikasgas
B
Zonder broeikaseffect is leven op aarde niet mogelijk.
C
Het broeikaseffect wordt veroorzaakt door de mens
D
Verbranden van fossiele brandstoffen zorgt voor het natuurlijke broeikaseffect

Slide 5 - Quizvraag


Waarom wordt deze gletsjer met een wit doek ingepakt?
A
Dan heeft het dezelfde kleur als de gletsjer zelf en is het effect beter.
B
Wit reflecteert het zonlicht, zodat de gletsjer eronder niet smelt.
C
Wit absorbeert, zodat het doek warm wordt en de gletsjer eronder niet smelt.
D
Zodat de mensen niet direct op de gletsjer kunnen lopen en deze niet snel smelt.

Slide 6 - Quizvraag

Noem vier gevolgen van opwarming van de aarde op mondiaal schaalniveau.

Slide 7 - Open vraag

Wat gebeurt er wanneer een Tipping Point wordt bereikt?
A
Het weer in een gebied slaat compleet om
B
Er vindt een catastrofe plaats die de hele omgeving verandert
C
Terug naar het oorspronkelijke klimaat is niet meer mogelijk.
D
De laatste ijskappen zijn nu ook gesmolten

Slide 8 - Quizvraag

Leg uit waardoor het smelten van het Noordpoolijs een tipping point kan veroorzaken.

Slide 9 - Open vraag

Wat is permafrost?
A
Altijd bevroren ondergrond.
B
Plantengroei die bevroren is.
C
Moerrassig gebied in de taiga.
D
Moerrassig gebied in de toendra.

Slide 10 - Quizvraag

Bekijk de bron.
Wat heeft de grootste bijdrage
aan de emissie(uitstoot) van
broeikasgassen?
A
landbouw
B
ontbossing
C
gebruik van fossiele energie
D
afbraak en veengronden

Slide 11 - Quizvraag

Noem de twee belangrijkste nadelen van het gebruik van fossiele brandstoffen.

Slide 12 - Open vraag

Sleep de energiebronnen naar de juiste plaats in het diagram.
4%
11%
38%
42%
Aardgas
Steenkool
Aardolie
Duurzame energie

Slide 13 - Sleepvraag

De Nederlandse regering heeft in het jaar 2014 besloten om minder aardgas in Groningen te winnen. Wat is de belangrijkste reden voor dat besluit?

Slide 14 - Open vraag

Voorbeelden van niet-conventionele olie en gas zijn:
A
aardolie
B
teerzand
C
schaliegas
D
biomassa

Slide 15 - Quizvraag

Bij de winning van onconventioneel gas gebruikt men de Engelse term fracking. Wat is een goed Nederlands woord daarvoor?
A
boren
B
breken
C
pompen
D
spuiten

Slide 16 - Quizvraag

Sleep de volgende woorden in de juiste kolom 
Conventionele olie en gas
Onconventionele olie en gas 
aardolie
Alleen verticaal boren 
opgeslagen in reservoirgesteente 
Fracking
Schaliegas
Teerzand
Opgeslagen in het moedergesteente 
Gas in steenkool
lagen
Ook horizontaal boren 

Slide 17 - Sleepvraag

Volgens de directie van Shell is de winning van teerzand nodig, omdat er steeds minder nieuwe voorraden fossiele brandstoffen worden gevonden. Waarom is teerzand een onconventionele fossiele brandstof?

Slide 18 - Open vraag

Wat draagt NIET bij aan een energietransitie?
A
Het gebruik van wind om energie op te wekken
B
Waterstof gebruiken als brandstof in plaats van benzine
C
Overgaan van kolen stoken naar gas gebruiken
D
Bouwen van een kerncentrale

Slide 19 - Quizvraag

Kernenergie is van de traditionele energiebronnen is krachtigste energiebron.
A
waar
B
niet waar

Slide 20 - Quizvraag

Wat is geen voordeel van kernenergie?
A
kosten zijn laag als het eenmaal draait
B
nauwelijks CO2 uitstoot
C
levert veel energie op
D
Het bouwen gaat snel

Slide 21 - Quizvraag

Bekijk bron 11 op pagina 58 en 59 van je leerboek. Welk land is de uitstoot van CO2 het minst?
En leg uit hoe dit komt.

Slide 22 - Open vraag

Het afremmen van de bevolkingsgroei is belangrijk om de opwarming van de aarde te beperken/vertragen.
Hoe kan dit het beste gedaan worden?
A
Door te investeren in onderwijs en gezondheidszorg in arme landen.
B
Stimuleren van geboorte beperkende middelen.

Slide 23 - Quizvraag

Leg uit waarom ontwikkelde landen hun uitstoot moeten verminderen terwijl ontwikkelingslanden hiertoe worden aangemoedigd.

Slide 24 - Open vraag

Een andere manier om de opwarming van de aarde te beperken/vertragen is energiebesparing. Welke bijdrage zou jij willen leveren aan de energiebesparing?
A
niet (meer) op vakantie met het vliegtuig
B
minder vlees eten (3 dagen vlees en 4 dagen niet)
C
minder of tweede hands kleding kopen
D
maximaal 5 minuten douchen

Slide 25 - Quizvraag

Wat is het belangrijkste doel van het Klimaatakkoord van Parijs?

Slide 26 - Open vraag

Bekijk bron 20 op pagina 62 van je leerboek. Klimaatverandering in Noorwegen zal o.a. tot gevolg hebben dat in de zomer het toerisme zal toenemen. Leg dit uit.

Slide 27 - Open vraag

Bekijk nogmaals bron 20 op pagina 62 van je leerboek.
Wat is juist over klimaatverandering in Europa?
(twee antwoorden kiezen)
A
Het groeiseizoen in de noordelijke regio wordt korter.
B
De grondstofwinning in het Noordpoolgebied zal toenemen.
C
In de continentale regio neemt de neerslag in de winter toe.
D
In de kustgebieden daalt de temperatuur van het zeewater.

Slide 28 - Quizvraag

Gebruik bron 21 op pagina 63 van je leerboek. Wat kan je zeggen over het aandeel hernieuwbare energie in Nederland? "Behoren wij tot de beste van de klas?"
A
ja
B
nee

Slide 29 - Quizvraag

Klimaatadaptatie is het aanpassen van de inrichting van het landschap om beter voorbereid te zijn op de gevolgen van klimaatverandering.

Klimaatadaptatie is een strategie die niet voor alle landen mogelijk is.
Welke landen hebben de beste mogelijkheden?
A
Hooggelegen landen (veel reliëf)
B
Landen met een lage CO2-uitstoot
C
Landen met een hoog BNP
D
Landen op het zuidelijk halfrond

Slide 30 - Quizvraag

Wat is een ruimtelijk conflict?
A
Meningsverschillen over waarvoor een gebied gebruikt mag worden.
B
Meningsverschillen over waar bepaalde bevolkingsgroepen mogen wonen.
C
Meningsverschillen over grenzen tussen gebieden.

Slide 31 - Quizvraag

Waterstof is
A
een energiebron
B
een energiedrager

Slide 32 - Quizvraag