Ch 4 - E: Writing (Plurals)

PLURALS
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les

PLURALS

Slide 1 - Tekstslide

Today's planning
- Explanation plurals (meervoud)
- LessonUp quiz
- Work in your book

Slide 2 - Tekstslide

Normale zelfstandige naamwoorden: (-s)
* Om deze meervoud te maken, voeg ‑s toe aan het woord.

Voorbeelden:
cat – cats
dog - dogs
house – houses 

* Als het zelfstandig naamwoord in ‑s, -ss, -sh, -ch, -x, or -z eindigt, voeg ‑es toe aan het eind om het meervoud te maken.

Voorbeelden:
bus – buses
marsh – marshes
lunch – lunches
tax – taxes
blitz – blitzes






Slide 3 - Tekstslide

Letter -y:
* Als het zelfstandig naamwoord eindigt in ‑y en als de letter voor de  -y een medeklinker is, dan voeg je  ‑ies toe om het meervoud te maken.

Voorbeelden:
baby babies
city – cities
puppy – puppies

puppy's - Is singular in English! 
Example: A puppy's life (Is ONE puppy!)

Spelling (-y)
Als het zelfstandig naamwoord eindigt met -y en als de letter voor de  -y een klinker is, zet er een -s achter om het meervoud te maken.

Voorbeelden:
ray – rays
play - plays
boy – boys
toy - toys

Slide 4 - Tekstslide

Letter -o:
Als een zelfstandig naamwoord eindigt met ‑o, en de letter daarvoor is een medeklinker, voeg ‑es toe om het meervoud te maken.

Voorbeelden:
hero - heroes
potato – potatoes

tomato – tomatoes

Uitzonderingen:
photo – photos
piano – pianos
halo – halos



Slide 5 - Tekstslide

Letter: (-f /-fe)
* Als een zelfstandig naamwoord eindigt met ‑f or ‑fe, wordt de f vaak  've, voordat je een -s eraan toevoegt om het meervoud te maken. 

Voorbeelden:
life - lives 
wife - wives
wolf - wolves
Uitzonderingen:
roof – roofs
belief – beliefs
chef – chefs
chief – chiefs




Slide 6 - Tekstslide

Irregular plurals (onregelmatig)
child – children
goose – geese
man – men
woman – women
tooth – teeth
foot – feet
mouse – mice
person – people







policeman - policemen

Slide 7 - Tekstslide

Unchanging Nouns (deze veranderen niet):
aircraft             aircraft
bass                  bass
bison                bison
elk                      elk
moose             moose
shrimp             shrimp
spacecraft     spacecraft
sheep               sheep
series               series

deer – deer
cattle - cattle




















species – species
deer – deer
cattle - cattle

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Plural

De meeste vormen eindigen in het meervoud op -s

parent - parents
star - stars
friend - friends
Plural

Eindigen op -sis klank


watch - watches
dish - dishes
box - boxes

Slide 10 - Tekstslide

PRACTISE!
Quiz time, grab a laptop and login to LessonUp

Slide 11 - Tekstslide

What's the plural of:
car?

A
car
B
cars
C
caren
D
cares

Slide 12 - Quizvraag

Plurals (= meervoud):
What is the plural of
watch?
A
watchs
B
watches
C
watch's
D
watchis

Slide 13 - Quizvraag

What's the plural of:
pizza
A
pizza's
B
pizzas
C
pizza'z
D
pizzaz

Slide 14 - Quizvraag

What's the plural of:
phone
A
phonez
B
phones
C
phonees
D
phone

Slide 15 - Quizvraag

What's the plural of:
apple
A
apples
B
apple's
C
applez
D
apple'z

Slide 16 - Quizvraag

Plurals (=meervoud): What is the plural of bus?
A
buss
B
busses
C
buses
D
buse's

Slide 17 - Quizvraag

What's the plural of:
child
A
childs
B
child's
C
children
D
childes

Slide 18 - Quizvraag

Plural of ''cow''

Slide 19 - Open vraag

Plural:
bag



Slide 20 - Open vraag

Plural (meervoud)
What is the plural of bus?

Slide 21 - Open vraag

Plural of ''team''

Slide 22 - Open vraag

Plurals:
monkey

Slide 23 - Open vraag

What is the plural of wish?

Slide 24 - Open vraag

Plural of:
A
shoe
B
shoes
C
schoenen
D
shoos

Slide 25 - Quizvraag

Plural of:
A
puppies
B
puppy's
C
puppys
D
puppen

Slide 26 - Quizvraag

Plural of:
A
tomatos
B
tomaten
C
tomato's
D
tomatoes

Slide 27 - Quizvraag

Plural of: hero
A
heroes
B
hero's
C
heros
D
held

Slide 28 - Quizvraag

Plural of:
A
sheeps
B
sheep
C
schapen
D
sheep's

Slide 29 - Quizvraag

Plural of:
A
ganzen
B
goosen
C
gooses
D
geese

Slide 30 - Quizvraag

Plural of:
A
cattle
B
cattles
C
cattle's
D
cattlen

Slide 31 - Quizvraag

Plural of:
A
knife's
B
knifes
C
knives
D
kniven

Slide 32 - Quizvraag

Plural of:
A
child's
B
childs
C
kinderen
D
children

Slide 33 - Quizvraag

Let's get to work

A boek:
Blz 144 - 147
Opdr. 32 t/m 36

Blz 160 - 163
Opdr. 58 - 61

B boek:
Blz 26 - 29
Opdr 28 - 32

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Link

Slide 36 - Link

Slide 37 - Link

Slide 38 - Link

Slide 39 - Link