Lees sandwich: Zoekend lezen en verwijswoorden

Vak: Nederlands
Leesvaardigheid
1.
Lesopening
2.
Lesdoel
3.
Terugblik
4. 
Instructie
5.
Begeleid inoefenen
6. 
Zelfstandig werken
7.
Evaluatie
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 1

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Vak: Nederlands
Leesvaardigheid
1.
Lesopening
2.
Lesdoel
3.
Terugblik
4. 
Instructie
5.
Begeleid inoefenen
6. 
Zelfstandig werken
7.
Evaluatie

Slide 1 - Tekstslide

Welkom!
Telefoon in de bak.
Neem plaats.
Jas uit.
Op tafel: Werkboek Nederlands of laptop en schrift dicht 
Tas op de grond.
Geen eten of drinken
Presentie!
timer
2:00

Slide 2 - Tekstslide

Lesdoel(en)
Aan het einde van deze les kan je:
- de verschillende manieren van lezen benoemen en onderscheiden van elkaar
- bij het lezen van een tekst zoekend lezen toepassen
- in eigen woorden vertellen wat verwijswoorden zijn en deze ook herkennen in een tekst

Slide 3 - Tekstslide

Dinsdag 1 april 2025
Wat: Par. 4.3
Wanneer: 11:20-12:10 en 12:40-13:30
Hoe: Gezamelijk/ zelfstandig werken
Klaar: Par. 4.3 opdrachten maken
HW:  Par. 4.3 opdrachten maken
Lesdoel: Zie vorige slide!
Taaldoel: zoekend lezen

Slide 4 - Tekstslide

Voor het lezen: Bekend en beniewd
Een tekst lezen

1. Bekend: Wat weet je al over het lezen van een tekst?
2. Benieuwd: Wat wil je nog meer weten over het lezen van een tekst?

Tweetal werken
timer
3:00

Slide 5 - Tekstslide

Manieren van lezen
- Verkennend

- Nauwkeurig

- Zoekend lezen

Slide 6 - Tekstslide

Zoekend lezen

Bij zoekend lezen ben je op zoek naar het antwoord op een vraag. 

Bijvoorbeeld: 
- een woordenboek.
- het antwoord op een vraag van een toets.



Slide 7 - Tekstslide

Wat moet ik doen bij zoekend lezen? 
Je kijkt welke informatie je nodig hebt van een tekst:
Bijvoorbeeld:
  • de tussenkopjes;
  • de plaatjes;
  • de schema's, grafieken, tabellen;
  • opvallende woorden/ vetgedrukt of anders gedrukte woorden

Slide 8 - Tekstslide

Bij zoekend lezen:
A
Wil ik informatie vinden die ik nodig heb
B
Lees ik een tekst heel precies
C
Bekijk ik vooral het onderwerp van de tekst
D
Zoek ik alleen de moeilijke woorden op

Slide 9 - Quizvraag

Verwijswoorden
Wat zijn verwijswoorden?

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Personen

Slide 12 - Tekstslide

Niet personen

Slide 13 - Tekstslide

Wat zijn de verwijswoorden?
A
fiets, paard, helm
B
blijven, zitten, zijn
C
doe, werk, maak
D
ik, hij, zij, wij

Slide 14 - Quizvraag

Wat een voorbeeld van verwijswoorden?
A
Maar, omdat, hierom
B
Hij, zij, die
C
Zijn, worden, hebben
D
De, het, een

Slide 15 - Quizvraag

Tijdens het lezen: Lees de tekst

Zoek en onderstreep:
Titel
Tussenkopjes
Opvallende woorden/vetgedrukt of andere woorden

Slide 16 - Tekstslide

Tijdens het lezen: Lees de tekst

Kader: 
Zoek de verwijswoorden in de tekst

Slide 17 - Tekstslide

Na het lezen: Exit ticket
Bewaar:  Wat heb je onthouden bij het lezen van een tekst?

Slide 18 - Tekstslide

Lestaak: basis
Par. 4.3 opdrachten 2+4+7+10+12 maken

Slide 19 - Tekstslide

Wat is zoekend lezen?
A
Bruikbare informatie zoeken
B
De tekst goed begrijpen
C
Belangrijkste informatie onthouden
D
Snel vaststellen of een tekst bruikbaar is

Slide 20 - Quizvraag

Hoe moet je zoekend lezen?
A
Tussenkopjes bekijken
B
De tekst helemaal lezen
C
De eerste alinea lezen
D
Van iedere alinea één zin lezen

Slide 21 - Quizvraag

Bij zoekend lezen . . .
A
lees je de 1e en laatste zin van elke alinea.
B
zoek je alleen het stuk tekst dat je nodig hebt.
C
bekijk je de tekst en lees je de 1e alinea.
D
lees je de eerste tot en met de laatste zin van de tekst.

Slide 22 - Quizvraag

Wat gebruik je NIET bij het zoekend lezen?
A
anders gedrukte woorden
B
Tussenkopjes
C
Titel
D
Opvallende tekens

Slide 23 - Quizvraag

Zoekend lezen
A
Je wilt weten of de tekst interessant is voor jou.
B
Je wilt begrijpen wat er in de tekst staat.
C
Je wilt het antwoord weten op een vraag.
D
Je wilt onthouden wat er in de tekst staat.

Slide 24 - Quizvraag

Als je alleen iets wilt opzoeken in de tekst gebruik je: zoekend lezen.
Wat is zoekend lezen?
A
het alleen lezen van de eerste zinnen van een alinea
B
het lezen van opvallende elementen in de tekst: op zoek gaan naar jaartallen tussenkopjes/ gedrukte woorden etc.
C
Het lezen van de titel en ondertitels

Slide 25 - Quizvraag

Wat zijn verwijswoorden?
A
Een woord dat een schuldige aanwijst
B
Een groepje woorden.
C
Een woord dat verwijst naar een ander woord of stukje tekst.
D
Een woord dat gebruikt wordt om de tekst beter leesbaar te maken.

Slide 26 - Quizvraag

WAT IS EEN VERWIJSWOORD?
A
de hond
B
verwijzen
C
hij
D
mijn moeder

Slide 27 - Quizvraag


Verwijswoorden.
In welke zin staat een FOUT verwijswoord?
A
Uw collega's stoel staat hier, volgens hem.
B
U vroeg of uw badkamer nog betegeld kon worden.
C
Ik heb jou broer ook uitgenodigd, nadat zij dat vroeg.
D
Ik heb daarna jouw oom en tante ook uitgenodigd.

Slide 28 - Quizvraag

Wat is geen verwijswoord?
A
de
B
deze
C
het
D
dat

Slide 29 - Quizvraag

WAT IS EEN VERWIJSWOORD?
A
het kopje
B
het
C
op
D
mogelijk

Slide 30 - Quizvraag

Verwijswoorden...
A
geven een verband aan in de tekst.
B
geven een eigenschap aan.
C
geven aan dat iets van iemand is.
D
verwijzen naar iets in de tekst.

Slide 31 - Quizvraag