Oefenen toets grammatica/spelling H 1, 2, 3

Grammatica en spelling
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Grammatica en spelling

Slide 1 - Tekstslide

(ploffen) De rode ballon […] met een knal uit elkaar.
A
ploft
B
plofd
C
ploffen

Slide 2 - Quizvraag

(bereiden) […] Jonnie straks een heerlijke aspergesoep?
A
bereit
B
bereid
C
bereidt
D
bereiden

Slide 3 - Quizvraag

(razen) Mijn zusje […] als een tornado door het huis.
A
raast
B
raazt
C
raasd
D
raazd

Slide 4 - Quizvraag

(vinden) Volgend jaar [...] je nog meer materiaal in de online omgeving.
A
vind
B
vindt
C
vond
D
vonden

Slide 5 - Quizvraag

(bestraffen) De docent […] Eveline vorige week voor het niet maken van het huiswerk.

A
bestraft
B
bestrafd
C
bestrafde
D
bestrafte

Slide 6 - Quizvraag

(beantwoorden) […] jij die vraag niet?
A
beantwoorde
B
beantwoordde

Slide 7 - Quizvraag

(blozen) Jouw broertje […] altijd als hij Thirza zag.
A
bloozde
B
bloozte
C
bloosde
D
blooste

Slide 8 - Quizvraag

(vergroten) Mijn moeder ... een foto van ons gezin.
A
vergrote
B
vergroote
C
vergrootte
D
vergroten

Slide 9 - Quizvraag

Rowan hoestte veel toen hij verkouden was.
Je schrijft hoestte met -tt- omdat de ik-vorm eindigt op een t.
A
juist
B
onjuist

Slide 10 - Quizvraag

Ik beleefte tijdens mijn vakantie leuke momenten.
Je schrijft beleefte met -te- omdat de f in 't ex kofschip zit.
A
juist
B
onjuist

Slide 11 - Quizvraag

(zweten) Werner […] toen er sambal door het eten zat.
A
zweet
B
zweete
C
zweette
D
zweetten

Slide 12 - Quizvraag

(geloven) De docent geschiedenis […] de smoes niet over mijn defecte wekker.
A
geloofte
B
geloofde

Slide 13 - Quizvraag

(weten) Ik [...] de juiste spelling van dat woord niet.
A
wist
B
weette

Slide 14 - Quizvraag

(zoeken) Ik [...] die op in het woordenboek.
A
zoekte
B
zocht

Slide 15 - Quizvraag

(proeven)

Ik [...]
A
proefte
B
proefde
C
pruuf

Slide 16 - Quizvraag

Het werkwoord 'krijgen' is een sterk werkwoord.
A
juist
B
onjuist

Slide 17 - Quizvraag

Het werkwoord 'bedanken' is een sterk werkwoord.
A
juist
B
onjuist

Slide 18 - Quizvraag

De jongen sneedt het brood aan plakjes.
Je schrijft sneedt met -dt- want het is ik-vorm + t.
A
juist
B
onjuist

Slide 19 - Quizvraag

Bij de spelling van de persoonsvorm tegenwoordige tijd ga je uit van de ik-vorm.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 20 - Quizvraag

Je vindt de ik-vorm door van het hele werkwoord altijd alleen -en- weg te laten.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 21 - Quizvraag

De meeste werkwoorden zijn zwak.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 22 - Quizvraag

Zwakke werkwoorden veranderen in de verleden tijd van klank.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 23 - Quizvraag

Sjaan (verhuizen) morgen.
Job is gisteren (verhuizen).
A
Sjaan verhuisT morgen. Job is verhuisT.
B
Sjaan verhuisD morgen. Job is verhuisD.
C
Sjaan verhuisT morgen. Job is verhuisD.

Slide 24 - Quizvraag

Welke spelregel hoort bij het onvoltooid deelwoord?

A
is de infinitief met '-d(e)'
B
is de stam met '-d'
C
soms '-d' en soms niet

Slide 25 - Quizvraag

(Mopperen) en (huilen) kwam de voetballer de kleedkamer in.
A
Mopperent en huilend
B
Mopperend en huilent
C
Mopperend en huilend

Slide 26 - Quizvraag

kleven (vt)
Nog altijd […] de kauwgom aan mijn schoen.

Slide 27 - Open vraag

Faxen (vt)
De meeste bedrijven [...] niet meer met hun klanten.

Slide 28 - Open vraag