les 12. me gusta en verbos regulares

Hoy es jueves, 3 de abril
1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Hoy es jueves, 3 de abril

Slide 1 - Tekstslide

El programa de hoy
  • Gustar
  • Números
  • repaso
  • verbos regulares 
  • online leerboek

Slide 2 - Tekstslide

El verbo 
Gustar

Slide 3 - Tekstslide

Gustar betekent = leuk vinden of houden van (bevallen).
Hoewel het een werkwoord is op -AR, is het anders dan de andere werkwoorden!

El verbo gustar
GUSTA
GUSTAN
en
Wat je leuk vindt is:
  • Enkelvoud
  • Werkwoord(en)
Wat je leuk vindt is:
  • Meervoud
Voorbeelden:
Me gusta el gato.
Ik vind de kat leuk.

Me gustan los perros
Ik vind de honden leuk

Me gusta hablar español 
Ik vind Spaans spreken leuk.




Meestal gebruik je alleen:

Slide 4 - Tekstslide

Het Spaanse werkwoord gustar is nooit alleen. Het werkwoord gustar geeft aan wat je leukt vindt. En daar voor komt altijd een meewerkend voorwerp, die geeft aan wie iets leuk vindt. 

Let op je gebruikt altijd een lidwoord (el/la/los/las), in het Nederlands doe je dat niet altijd.
Voorbeeld: Me gustan las pizzas > Ik hou van pizzas. 

Ik-vorm (yo) =    me gusta ...         +           me gustan ...
Jij-vorm (tú) =    te gusta ...           +            te gustan ...


El verbo gustar
Me gustan las patatas fritas.
¿Te gustan las patatas fritas?
VOORBEELD:
Ik hou van frietjes.
Hou jij van frietjes?

Slide 5 - Tekstslide

Me gustan las manzanas
Wie?
ik.
Wat?
Hetgeen wat mij bevalt is meervoud (appels).

Slide 6 - Tekstslide

te gusta bailar y cantar
Wie?
Jij.
Wat?
Hetgeen wat mij bevalt dansen en zingen (werkwoorden)

Slide 7 - Tekstslide

me gusta el español
Wie?
Ik.
Wat?
Hetgeen wat mij bevalt is het Spaans. 
Vind je meerdere talen leuk? Me gustan el español y el inglés.

Slide 8 - Tekstslide

EENS/NIET EENS
                                                EENS                 NIET EENS
Me gusta el español.         A mí también             A mí no
                                               ik ook                      ik niet

No me gusta el teatro.    A mí tampoco            A mí sí
                                              ik ook niet                ik wel

Slide 9 - Tekstslide

¡A practicar!
A. Vul in gusta of gustan
1. Me _____________________ las hamburguesas.
2. ¿Te ______________________ estudiar español?
3. Me ______________________ el fútbol.
4. ¿Te ______________________ bailar?
5. Me _______________________ los libros de Harry Potter


Slide 10 - Tekstslide

¡A practicar!
A. Vul in gusta of gustan
1. Me gustan las hamburguesas.                  (meervoud)
2. ¿Te gusta estudiar español?                     (werkwoord)
3. Me gusta el fútbol.                                       (enkelvoud)
4. ¿Te gusta bailar?                                          (werkwoord)
5. Me gustan los libros de Harry Potter.     (meervoud)



Slide 11 - Tekstslide

Números 0-100

Slide 12 - Tekstslide

Números 0-100
Let op(1)! 
Op de volgende getallen staat een accentje!

16  = dieciséis
22 = veintidós
23 = veintitrés
26 = veintiséis

Slide 13 - Tekstslide

Números 0-100
Let op(2)! 

21 t/m 29 schrijf je aan elkaar vast (let op de ‘i’ tussen de getallen)
  21 = veintiuno
  22 = veintidós




Vanaf 31 schrijf je de getallen los van elkaar en zet je ‘y’ tussen de getallen.
 48 = cuarenta y ocho
 96 = noventa y seis

Slide 14 - Tekstslide

cuarenta is....
A
20
B
30
C
40
D
50

Slide 15 - Quizvraag

setenta is....
A
6
B
7
C
60
D
70

Slide 16 - Quizvraag

dertig is...
A
setenta
B
quarenta
C
treinta
D
cinquenta

Slide 17 - Quizvraag

negentig is...
A
cinquenta
B
noventa
C
ochenta
D
sesenta

Slide 18 - Quizvraag

Wat is de juiste vertaling?

siete - catorce- diecisiete- veintitrés- veintinueve- treinta y uno
A
7-14-17-23-29-31
B
7-40-17-23-28-31
C
7-4-17-32-29-31
D
6-14-17-25-29-31

Slide 19 - Quizvraag

Herhaling lidwoorden
beantwoord  de vragen met het juiste lidwoord

Slide 20 - Tekstslide

1. Pedro es un / una chico.
A
un
B
una

Slide 21 - Quizvraag

2. El / la chico es español.
A
el
B
la

Slide 22 - Quizvraag

3. Marta es un / una chica.
A
un
B
una

Slide 23 - Quizvraag

4. El / la chica es holandesa.
A
el
B
la

Slide 24 - Quizvraag

5. Tengo un / una perro.
A
un
B
una

Slide 25 - Quizvraag

6. El / la perro se llama sol
A
El
B
la

Slide 26 - Quizvraag

7. Manuel tiene un / una mascota
A
un
B
una

Slide 27 - Quizvraag

8. El / la mascota de Manuel es un gato
A
el
B
la

Slide 28 - Quizvraag

Verbos regulares
(-IR)
Tener
Llamarse
Querer
Ser
Verbos regulares
(-ER)
Verbos regulares
(-AR)

Slide 29 - Tekstslide

Regelmatige werkwoorden
Voorbeeld: 
HABLAR - spreken
BEBER - eten
VIVIR - wonen 

Slide 30 - Tekstslide

Los verbos regulares

Slide 31 - Tekstslide

VIVO
VIVES
VIVE
VIVIMOS
VIVEN
VIVÍS

Slide 32 - Sleepvraag


Yo (hablar) .... español.
A
hablamos
B
habláis
C
hablo
D
hablas

Slide 33 - Quizvraag


Carmen y tú (comer) ... patatas fritas.


A
comen
B
coméis
C
comemos
D
comes

Slide 34 - Quizvraag


Carmen y Rosa (vivir) ... en Sevilla.
A
vivimos
B
vivís
C
viven
D
vivo

Slide 35 - Quizvraag

hablo
trabajan
estudia
vivís
comes
leemos
yo
nosotros
ellos
vosotros
él

Slide 36 - Sleepvraag

estudiar
nosotros
A
estudian
B
estudiamos
C
estudio
D
estudias

Slide 37 - Quizvraag

trabajar
ellos
A
trabajas
B
trabajo
C
trabajan
D
trabaja

Slide 38 - Quizvraag

comer

A
comes
B
coméis
C
como
D
comen

Slide 39 - Quizvraag

vivir
yo
A
viven
B
vivo
C
vivís
D
vive

Slide 40 - Quizvraag

Maak de zin af:

* Ik begrijp de regelmatige werkwoorden (-ar)......
A
Goed
B
Redelijk
C
Matig
D
Slecht

Slide 41 - Quizvraag

Trabajo individual
20 min. woorden leren via studygo
20 min. grammatica oefenen via de studiewijzer

In stilte!

Slide 42 - Tekstslide