Oefentoets Unit 3 Mavo 1: comparisons, present simple. present continuous

Mock Test Unit 3 Mavo 1
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 1,2

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 35 min

Onderdelen in deze les

Mock Test Unit 3 Mavo 1

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grammar
comparisons
present continuous
present simple vs present continuous

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Comparisons

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Comparisons
big
bigger
the biggest
COMPARISONS

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Comparisons

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grammar: comparisons

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Comparisons: trappen van vergelijking
woord
vergrotende trap
overtreffende trap
1 lettergreep 
...+er than 
the ...+ est 
3 lettergrepen
more ... than 
the most ..... 
uitzonderingen 

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Trappen van vergelijking

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Comparisons: hoe maak je een comparison?
A
er - est
B
er - est/more - most
C
more - most
D
er - more - most

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

5. Which comparison is NOT correct?
A
big - biger - biggest
B
good - better - best
C
busy - busier -busiest
D
nice - nicer - nicest

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

4. Which comparison is NOT correct:
A
bad - badder - baddest
B
big - bigger - biggest
C
small - smaller - smallest
D
far - further - furthest

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

5. Welke comparison is NIET juist:
A
big - biger - biggest
B
good - better - best
C
busy - busier -busiest
D
nice - nicer - nicest

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Grammar: Comparisons
He is ... (good) at Maths than my sister.
A
gooder
B
better

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Grammar: Comparisons
She is wearing ... (beautiful) dress.
A
more beautiful than
B
beautifuller than
C
the most beautiful
D
the beautifullest

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Continuous
What is the Present Continuous?

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present Continuous:

Wat is de regel van de present continuous?
timer
0:30
A
ww+ - ed
B
shit = ww+-s
C
vorm van to be + ww+ing

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Continuous 

Wat zijn de signaalwoorden van de present continuous?

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present continuous
Wat valt op? Wat benadrukt de present continuous?

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present Continuous
  • De Present Continuous is een tegenwoordige tijd

  • Je gebruikt de Present Continuous als iets nu bezig is of nu aan de gang is

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grammar! 

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present continuous
Waar gebruik je de present continuous voor?
A
Bij feiten, gewoontes en regelmaat.
B
Bij iets dat nu gebeurt, nu aan de gang is.

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Continuous

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present Continuous:
Which sentence is in the present continuous?
A
He was working late.
B
He is working late.
C
He worked late.
D
He has worked late.

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Continuous:
Pick the present continuous.
A
I am going to be waiting at the crossroads.
B
I was waiting at the crossroads.
C
I am waiting at the crossroads.
D
I will be waiting at the crossroads.

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present continuous:
Pick the present continuous.
A
We are eating lunch at the cafeteria.
B
They have eaten lunch at the cafeteria before.
C
She ate lunch at the cafeteria.
D
He has eaten lunch at the cafeteria.

Slide 25 - Quizvraag

Present continuous
1. aan te geven dat iets NU aan de gang is. Signaalwoorden zijn o.a: "now, at the moment, listen..." enz.
2. aan te geven dat je iets van plan bent. Meestal staat er bij wanneer je in de toekomst dat van plan bent.
3. irritatie aan te geven
Maak de present continuous door: vorm van 'to be' (am/is/are) + ww+ ing
Susanne is singing right now
Present Continuous:
Pick the present continuous.
timer
0:15
A
David works every day.
B
David is taking a shower at the moment.
C
David has lost his keys
D
David lost his keys.

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple vs. Present continuous

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

present simple vs. present continuous

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

present simple vs. present continuous

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple
Present Continuous

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present simple vs present continuous
present simple
present continuous
tegenwoordige tijd:
he/she/it + ww + s
am/is/are + ww + ing 
(I am walking)
(wetenschappelijke) feiten, gewoontes & routines
- iets wat NU aan de gang is
- aangeven van irritatie 
- I walk the dog every day
- Tom sometimes reads a book (gewoonte)
- Look! That man is making      a painting
- She is sleeping right now 
- That customer is always          complaining

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

present simple vs present continuous 

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple vs Present Continuous:
Welk signaalwoord hoort bij de present continuous?
A
Now
B
Often
C
Tomorrow
D
Last year

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple vs Present continuous
He ... dinner for me at the moment.
A
cooks
B
is cooking

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple vs. Present Continuous

We always ..... English in class.
A
speak
B
are speaking
C
speaks
D
is speaking

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple vs. Present Continuous
She always .......... jewellery.
A
are wearing
B
wears
C
is wearing
D
wear

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple vs. Present Continuous

She often ..... documentaries.
A
watch
B
is watching
C
watches
D
watching

Slide 38 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple vs. present continuous:

I often ... (go) for a walk.
A
go
B
am going

Slide 39 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple vs. present continuous:
You ... (meet) friends tonight.
A
meet
B
are meeting

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple vs. Present Continuous

She ... the piano now.
A
is playing
B
plays
C
is play
D
are playing

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple vs Present continuous
Julie ________ (sleep) at the moment.
A
sleeps
B
sleeping
C
sleep
D
is sleeping

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present simple vs Present continuous
You always _________ (arrive) late.
A
arrive
B
are arriving
C
is arriving
D
arrives

Slide 43 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Present simple vs. Present continuous
4. My parents usually ..... to work
A
go
B
goes
C
are going
D
going

Slide 44 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies