Les 39 - 2TL - Woensdag 26 ma.

1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

In deze les zitten 12 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Les 39 - 2TA
Spelling



DOME

Slide 2 - Tekstslide

Lezen - 3gclxp2
timer
10:00

Slide 3 - Tekstslide

Planning

1. We hebben gelezen
2. Herhaling leerjaar 1
3. Zelfstandig werken
>Wat heb je uit de oefentoets gehaald? Waar moet je nog extra aan werken?
4. Afsluiten met een spelletje

Slide 4 - Tekstslide

PLANNING
26 maart (vandaag)
1 lesuur
-Herhaling
>Ook van jaar 1
-Zelfstandig voorbereiden
1 april (geen grap)
UUR 1
Tweedeling
-Samen opdrachten maken, herhalen
-Zelfstandig voorbereiden
1 april 
UUR 2
TOETS

Slide 5 - Tekstslide

§10 - Engelse werkwoorden
Ik-vorm van Engelse werkwoorden
>  -en (matchen – match; sprayen – spray).
>Hij, zij, u, etc. + t
Dubbele medeklinker verdwijnt: (basketballen – basketbal).

Verleden tijd en voltooide tijd = 't Kofschip x
+de(n) of +te(n)

Slide 6 - Tekstslide

§11 - Voltooid deelwoord
Voorvoegsels:  ge-, her-, ver- of be-

Gelogen - Hersteld - Verkocht - Begrepen
Een voltooid deelwoord kan ook als bijvoeglijk naamwoord worden gebruikt.
Bijvoorbeeld: de geperste sinaasappel; de ingehaalde toets. 
Je gebruikt 't Kofschip x 
Meestal met een hulpwerkwoord
Tegenwoordige en verleden tijd (heb, had)

Slide 7 - Tekstslide

§12 - Werkwoordalarm
Het verschil tussen werkwoorden in de tegenwoordige tijd en de voltooide tijd
-Klanken hoor je niet, maar schrijf je wel
>Dat verschil in de schrijfwijze verandert de werkwoordsvorm
Je kunt het voltooid deelwoord opsporen door hulpwerkwoorden.
Verkleurt - Verkleurd
Je gebruikt t'x-kofschip alleen voor de verleden tijd bij zwakke werkwoorden en bij de voltooide tijd
Verder kun je de tegenwoordige tijd en verleden tijd onderscheiden door woorden als 'morgen', 'vandaag', 'nu', 'straks' en natuurlijk door de vorm van de werkwoorden
LET OP: er is een voltooide tegenwoordige tijd en een voltooide verleden tijd (heeft gedaan / had gedaan)

Slide 8 - Tekstslide

§13 - Persoonsvorm in samengestelde zinnen
Zinnen met twee persoonsvormen
>Twee zinnen die samen een nieuwe zin vormen
-Tijdproef
-Vraagproef
1. Wat is de persoonsvorm?
2. Welk onderwerp hoort daarbij?
3. In welke tijd staat deze?
4. Gaat het om een sterk of zwak werkwoord?

Slide 9 - Tekstslide

Herhaling leerjaar 1
-Persoonsvorm tegenwoordige tijd
-Sterke en zwakke werkwoorden
>Verleden en tegenwoordige tijd
-Voltooid deelwoord
-Onregelmatige werkwoorden

Slide 10 - Tekstslide

Maken
Cursus 7 - Spelling

-Maak §14 - Mixopdrachten
-Maak 'trainen' van de mixopdrachten. 


Bereid je goed voor op de toets.


timer
17:00

Slide 11 - Tekstslide

Einde van de les

Slide 12 - Tekstslide