Niet alleen de onvrede op het platteland nam toe. In de steden werd het ook onrustiger. De armoede werd groter en de arbeidsomstandigheden waren slecht. Een ambachtsman werkte lange dagen tegen weinig loon. Vooral de rijke burgers, de bourgeoisie, begonnen zich uit te spreken tegen deze ongelijkheden.
Geen inspraak
De handelaren, bankiers, de artsen, maar ook advocaten en notarissen waren woedend dat zij, als leden van de derde stand, geen enkele zeggenschap hadden in het bestuur. Hun kritiek werd door de koning met boetes en opsluiting bestraft.
Ongelijke belastingverdeling
De bourgeoisie had geen inspraak in het bestuur, maar betaalde wel een groot deel van de belastingen. Dit in tegenstelling tot de geestelijkheid en adel, die geen belasting betaalden. Bovendien hadden de geestelijkheid en adel wel lokaal en nationaal bestuursinvloed.
Ongelijke rechtspraak
Burgers en boeren kregen zwaardere straffen opgelegd voor overtredingen dan edelen en geestelijken.
Geen aandacht voor de handel
De overheid deed geen moeite om de handel te bevorderen, tot grote ergernis van de kooplieden. De bestuurders, vooral edelen die leefden van de landbouw op hun grootgrondbezit, hadden geen oog voor de wensen van handelaren.