H1S2 bronanalyse

1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 12 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Benoem voordelen van absolutisme vanuit de koning.

Slide 2 - Open vraag

Benoem voordelen van absolutisme vanuit het volk.

Slide 3 - Open vraag

Voordelen voor het volk:
Stabiliteit en orde: Een sterke, centrale macht kan zorgen voor stabiliteit en orde, wat gunstig kan zijn voor het dagelijks leven.

Efficiëntie: Beslissingen kunnen snel worden genomen, wat kan leiden tot efficiënte uitvoering van beleid.

Nadelen voor het volk:
Gebrek aan inspraak: Het volk heeft weinig tot geen invloed op de beslissingen die worden genomen.

Onderdrukking: Absolutisme kan leiden tot onderdrukking en schending van mensenrechten.

Ontevredenheid: Als de koning beslissingen neemt die niet in het belang van het volk zijn, kan dit leiden tot ontevredenheid en sociale onrust.

Voordelen voor de koning:
Volledige controle: De koning heeft de volledige macht en kan beslissingen nemen zonder tegenstand.

Snelle besluitvorming: Beslissingen kunnen snel worden genomen zonder lange discussies of onderhandelingen.

Stabiliteit: Een sterke, centrale macht kan zorgen voor stabiliteit en orde in het land.

Nadelen voor de koning:
Verantwoordelijkheid: De koning draagt de volledige verantwoordelijkheid voor alle beslissingen en gevolgen.

Risico op opstand: Als het volk ontevreden is, kan dit leiden tot opstanden en rebellie.

Isolatie: De koning kan geïsoleerd raken en niet goed op de hoogte zijn van de behoeften en wensen van het volk.


Slide 4 - Tekstslide

H1: ik kan een beeld vormen van de revoluties in de 18e eeuw, door (r):
1.1. Je benoemt voor- en nadelen van absolutisme vanuit het perspectief van zowel de koning als het volk. (r) (6.2.1)

1.2. Je kan vanuit een bron de drie standen benoemen en waarom ze van elkaar verschillen. (r) (6.2.2.)
(6.2.1)
Vanaf nu staat er achter de subdoelen tussen haakjes de paragraaf uit tijd voor geschiedenis waar je informatie kan vinden. 
Andere opzet aantekeningen
Om je voor te bereiden op leerjaar 3 gaan we minder klassikaal aantekeningen noteren. Vanuit de instructie van Simon en de methode ga je meer zelfstandig de aantekeningen opschrijven.

Slide 5 - Tekstslide

Al eeuwenlang maakten geestelijken en edelen de dienst uit in Frankrijk. De privileges uit de middeleeuwen bestonden nog steeds. Zo waren de eerste en tweede stand vrijgesteld van het betalen van belastingen. Op hun boerderijen legden de leden van deze standen wél zware belastingen op aan de boeren. De herendiensten en belasting in goederen bestonden nog steeds. Ook bij tegenvallende opbrengsten moesten de kleine pachtboeren grondhuur en grondbelasting betalen. De ontevredenheid onder de boeren, die 80% van de bevolking vormden, steeg.

Slide 6 - Tekstslide

Niet alleen de onvrede op het platteland nam toe. In de steden werd het ook onrustiger. De armoede werd groter en de arbeidsomstandigheden waren slecht. Een ambachtsman werkte lange dagen tegen weinig loon. Vooral de rijke burgers, de bourgeoisie, begonnen zich uit te spreken tegen deze ongelijkheden.

Geen inspraak
De handelaren, bankiers, de artsen, maar ook advocaten en notarissen waren woedend dat zij, als leden van de derde stand, geen enkele zeggenschap hadden in het bestuur. Hun kritiek werd door de koning met boetes en opsluiting bestraft.

Ongelijke belastingverdeling
De bourgeoisie had geen inspraak in het bestuur, maar betaalde wel een groot deel van de belastingen. Dit in tegenstelling tot de geestelijkheid en adel, die geen belasting betaalden. Bovendien hadden de geestelijkheid en adel wel lokaal en nationaal bestuursinvloed.
Ongelijke rechtspraak
Burgers en boeren kregen zwaardere straffen opgelegd voor overtredingen dan edelen en geestelijken.

Geen aandacht voor de handel
De overheid deed geen moeite om de handel te bevorderen, tot grote ergernis van de kooplieden. De bestuurders, vooral edelen die leefden van de landbouw op hun grootgrondbezit, hadden geen oog voor de wensen van handelaren.

Slide 7 - Tekstslide

1.2. Je kan vanuit een bron de drie standen benoemen en waarom ze van elkaar verschillen. (r) (6.2.2.)

Slide 8 - Tekstslide

1.2. Je kan vanuit een bron de drie standen benoemen en waarom ze van elkaar verschillen. (r) (6.2.2.)

Slide 9 - Tekstslide

1.2. Je kan vanuit een bron de drie standen benoemen en waarom ze van elkaar verschillen. (r) (6.2.2.)

Slide 10 - Tekstslide

1.2. Je kan vanuit een bron de drie standen benoemen en waarom ze van elkaar verschillen. (r) (6.2.2.)
- Noteer op welke punten je moet letten 
bij het analyseren van een bron.

- Maak de opdrachten van paragraaf 6.2.

Slide 11 - Tekstslide

De staatskas was leeg en de staatsschuld nam toe.
Verschillende oorlogen kostten de staatskas veel geld.
Het luxe hofleven in Versailles moest betaald worden.
De inkomsten van belastingen vielen tegen.
De adel en geestelijkheid weigerden belastingen te betalen. Adel en geestelijkheid vonden dat dit de verantwoordelijkheid was van het volk, dat steeds armer werd. Het volk kon dit ook niet meer opbrengen.


Het bestuur en leger functioneerden slecht.
Lodewijk XV en XVI hadden weinig interesse in het bestuur en namen daarom vaak verkeerde beslissingen.
De adel en geestelijken hadden veel politieke macht. Wetten die door de koning werden opgesteld, werden dus niet overal doorgevoerd.
Er waren te weinig goede ambtenaren.
Het leger raakte verzwakt door te weinig investeringen.

Slide 12 - Tekstslide