Vul bij de volgende vragen steeds de juiste vorm in van het werkwoord dat tussen haakjes staat. Je kunt uit de zin opmaken of de zin in de tegenwoordige tijd of verleden tijd staat. Als dat niet zo is, dan staat het voor de zin vermeld. Schrijf de werkwoorden op met daartussen een komma en spatie, bijvoorbeeld:
geloof, verhuizen