Voorbereiding examen administratie

Voorbereiding examen administratie
2024 - 2025
1 / 48
volgende
Slide 1: Tekstslide
Economie & OndernemenMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 4

In deze les zitten 48 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 39 min

Onderdelen in deze les

Voorbereiding examen administratie
2024 - 2025

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Verschil offerte en order
Offerte = prijsopgave
Aanbod van artikelen met vermelding van de prijs.

Order = een bestelling van een klant
Order geplaatst? Klant krijgt een orderbevestiging

Eerst komt meestal een offerte en vervolgens een order. Dit gebeurt vaak bij grote bedragen.

Slide 3 - Tekstslide

Order 
(bestelling)


1. Het artikelnummer
2. De omschrijving
3. Het aantal artikelen
4. Welke datum 
5. De prijs
6. Bestelnummer of ordernummer
 Pakbon
(wordt meegeleverd met een pakketje)


1. Artikelnummer
2. Artikelomschrijving
3. Aantal artikelen
4. NAW gegevens klant

Slide 4 - Tekstslide

Leveringsvoorwaarden en betalingsvoorwaarden
Leveringsvoorwaarden
• De levertijd van een product
• Hoe te handelen bij fouten
• Wat als een pakket weg is?
• Situaties van overmacht
• Annuleren bestelling
• Transportkosten
Betalingsvoorwaarden
• De termijn van betaling
• Wat er gebeurt als de klant zich niet houdt aan de betalingsvoorwaarden (herinnering, aanmaning, incassobureau).

Slide 5 - Tekstslide

BTW
BTW betekent Belasting Toegevoegde Waarde
Vaak is de BTW 21%.

De prijs zonder BTW  noem je "exclusief BTW". 
Exclusief BTW -> 100 % 

De prijs met BTW noem je "inclusief BTW".
Inclusief BTW -> 121 %

Slide 6 - Tekstslide

Inclusief BTW
prijs inclusief btw= prijs exclusief btw + btw tarief

Slide 7 - Tekstslide

Consumentenprijs = bruto- verkoopprijs
Van Inkoopprjis naar consumentenprijs

inkoopprijs                                            € 1,45
Brutowinstopslag                              € .............        +   50% van inkoopprijs
Verkoopprijs excl btw                      €................
BTW                                                          €...............        +
Consumentenprijs                             €................

Slide 8 - Tekstslide

Organogram (organisatieschema)

Slide 9 - Tekstslide

Bedrijfsfuncties
- Primaire functie: Alles wat moet gebeuren om een product te kunnen verkopen.
Afdeling: Verkoop en marketing

- logistieke functie: Taak om te zorgen dat klanten de bestelde artikelen krijgen. 
Afdeling: Inkoop en magazijn

- financiële functie: Alles wat met geld gebeurt, hoort bij de financiële functie van een bedrijf.
Afdeling: Administratie en boekhouden

Slide 10 - Tekstslide

Nettowinst
Nettowinst = Brutowinst - bedrijfskosten

Slide 11 - Tekstslide

Organisaties
Organisatie = een samenwerking          tussen personen gericht op het
      bereiken van een bepaald doel
Bedrijf = een organisatie om
      goederen en diensten voort te
      brengen of te verhandelen
Onderneming = een bedrijf dat 
      winst wil maken

Slide 12 - Tekstslide

Transacties 
Bankafschriften
Hoeveel geld er op de rekening bijgekomen is en afgeschreven is.


Slide 13 - Tekstslide

BTW berekenen
Prijs exclusief btw + btw = prijs inclusief btw
100%          +         21%        =      121%    
of
100%          +          9%       =     109%         

Slide 14 - Tekstslide

Brutowinst
Inkoopwaarde = € 175,-
Omzet = € 325,-
Wat is de brutowinst?

  1. Omzet - inkoopwaarde = brutowinst
  2. 325 - 175 = 150
  3. Brutowinst = € 150,-

Slide 15 - Tekstslide

Inventaris
Een inventaris is een lijst  van voorwerpen die nodig zijn om je bedrijf te kunnen runnen.

Slide 16 - Tekstslide

Boekstukken verwerken
In een dagboek worden boekingsstukken van hetzelfde soort verwerkt. We kennen deze 5 dagboeken:

  1. Kasboek, voor de kasstukken 
  2. Bankboek, voor de bankstukken 
  3. Inkoopboek, voor de inkoopfacturen 
  4. Verkoopboek, voor de verkoopfacturen
  5. Diverse postenboek, voor de diverse posten.

-> dus alle financiële veranderingen binnen een bedrijf worden genoteerd en bijgehouden.


Slide 17 - Tekstslide

Boekingsnummer (uniek)
  • K = kasstukken
  • B = Bankstukken
  • IF = inkoopfactuur
  • VF = verkoopfactuur
  • DP = diverse posten

Slide 18 - Tekstslide

Nummer boekingsstukken
Op 1 juni komt er bankstuk binnen bij de 
administratie. Deze krijgt het nummer
K2. Op 2 juni komt het bankstuk wat je 
hiernaast ziet. Deze krijg dat het nummer
K3. En zo loopt het continu op.

Slide 19 - Tekstslide

Schulden (eigen vermogen)
Het geld dat de eigenaar van een bedrijf investeert in het bedrijf noemen we het eigen vermogen. Dit is feitelijk een schuld van het bedrijf aan de eigenaar.

Slide 20 - Tekstslide

Belasting
In Nederland moet je belastingen betalen als je een bedrijf hebt.

1. Omzetbelasting (BTW)
2. Inkomstenbelasting

Slide 21 - Tekstslide

BTW = belasting toegevoegde waarde
Te betalen BTW = BTW die een bedrijf binnen krijgt.
BTW te vorderen = je mag BTW terugvragen bij de overheid.

Voorbeeld
Rick vult de belastingaangifte van richy.com in. Op de grootboekrekening
Te betalen btw staat in totaal € 30.000. Op de grootboekrekening Te vorderen btw staat in totaal € 20.000. Hoeveel btw moet richy.com afdragen aan de overheid?

30.000 - 20.000 = €10.000

Slide 22 - Tekstslide

Voorbeeld kostprijs berekenen
Het opslagpercentage van de productie van een auto is 10%.

De directe kosten zijn € 15.000 voor de productie van deze auto.
Hoe hoog is de kostprijs op dit moment?

€15.000 : 100 x 110 = €16.500

Slide 23 - Tekstslide

Vast percentage van de aanschafwaarde afschrijven

Slide 24 - Tekstslide

Indexcijfers
Bereken het indexcijfer van 2020.

Jaar
Bedrag
Indexcijfer
2018
€ 20.460,00
100
2019
€ 20.869,20
102
2020
€ 22.096,80

Slide 25 - Tekstslide

Wat is een poststuk factuur?
A
Een brief zonder verzendkosten
B
Een bewijs van geleverde diensten
C
Een advertentie voor producten
D
Een document voor betaling

Slide 26 - Quizvraag

Wie stuurt meestal een factuur?
A
Een leverancier
B
Een klant
C
Een postbode
D
Een dienstverlener

Slide 27 - Quizvraag

Wat staat meestal op een factuur?
A
Verzenddatum
B
Klantnaam van de leverancier
C
Bedrag te betalen
D
Factuurnummer

Slide 28 - Quizvraag

Als je een inkoopfactuur verwerkt in de administratie dan veranderen de grootboekrekeningen:
A
Bank en debiteuren
B
Te betalen BTW en debiteuren
C
Crediteuren en voorraad goederen
D
Kas en te vorderen BTW

Slide 29 - Quizvraag

Bij een inkoopfactuur of een kostenfactuur gebruik je altijd de grootboekrekening:
A
Kas
B
Crediteuren
C
Debiteuren
D
Omzet

Slide 30 - Quizvraag

Een scooterzaak ontvangt 50 ingekochte Vespa's van een leverancier.
Welk formulier stuurt de leverancier naar de scooterwinkel?


A
offerte
B
inkoopfactuur
C
verkoopfactuur
D
orderbevestiging

Slide 31 - Quizvraag

Alles waardoor het geld in kas toeneemt of afneemt noemen we ..
A
kasstukken
B
bankstukken
C
inkoopfacturen
D
verkoopfacturen

Slide 32 - Quizvraag

Wat is het gevolg van betaling van een inkoopfactuur? Kies uit meer of minder.
De rekening bank wordt..
A
Meer
B
Minder

Slide 33 - Quizvraag

Heeft als doel winst te maken
A
organisatie
B
bedrijf
C
onderneming

Slide 34 - Quizvraag

Wat is de belangrijkste functie binnen een bedrijf
A
primaire functie
B
Logistieke functie
C
Financiële functie

Slide 35 - Quizvraag

De firma List en Bedrog BV heeft in de maand mei 2500 artikelen verkocht. De gemiddelde verkoopprijs van de artikel is € 12,50. De gem. inkoopprijs is € 7,50. Wat is de bruto winst van de maand mei.
A
€ 7.500
B
€ 10.00
C
€ 12.500
D
€ 15.000

Slide 36 - Quizvraag

De inkoopprijs van een I phone is € 300. De brutowinstmarge is 400%. Bereken de verkoopprijs
A
€ 400
B
€ 700
C
€ 1200
D
€ 1500

Slide 37 - Quizvraag

Saim B.V. Heeft een omzet van 1.200.000. De inkoopwaarde bedroeg. 600.000. De bedrijfskosten bedroegen 450.000.
Wat is de Netto winst?
A
€ 1.200.000
B
€ 1.000.000
C
€ 600.000
D
€ 150.000

Slide 38 - Quizvraag

Coen koopt voor € 2,99 een doosje frambozen (inc 9% btw). Wat is de verkoopprijs exclusief btw
A
2,47
B
3,17
C
2,74
D
3,62

Slide 39 - Quizvraag

Naar wie stuurt de afdeling magazijn het internbestelformulier
A
administratie
B
inkoop
C
verkoop
D
leverancier

Slide 40 - Quizvraag

Welk formulier ontvangt de administratie van de afdeling verkoop
A
inkoop factuur
B
kassabon
C
bankafschrift
D
verkoopfactuur

Slide 41 - Quizvraag

Chartaal geld is een voorbeeld van welke bezitting
A
kas
B
bank
C
te vorderen btw
D
debiteuren

Slide 42 - Quizvraag

Het geld dat de eigenaar zelf in het bedrijf stopt noemen we
A
Eigen vermogen
B
Vreemd vermogen

Slide 43 - Quizvraag

Laat met een berekening zien hoe je bij index cijfer 202 komt

Slide 44 - Open vraag

Wat is 21% van 600.
Geef een berekening en rond af op 2 decimalen

Slide 45 - Open vraag

Een I phone 11 was € 1000 en wordt nu verkocht voor € 726. Hoeveel procent korting is er gegeven

Slide 46 - Open vraag

Van de kozijnenfabriek zijn de volgende gegevens bekend:

totale constante kosten: € 250.000
totale variabele kosten: € 200.000
normale productie: 500 kozijnen
werkelijke productie: 400 kozijnen.

Hoe hoog is de integrale kostprijs per kozijn?

Slide 47 - Open vraag

Een nieuwe laptop kosten € 750.
Na 3 jaar is deze nog € 150 waard. Wat is de afschrijving per jaar

Slide 48 - Open vraag