Bezittelijk voornaamwoord

Bezittelijk voornaamwoord
Van wie is het?
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsISK

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les

Bezittelijk voornaamwoord
Van wie is het?

Slide 1 - Tekstslide

Ik heb een boek.
Het boek is van mij.

Jij hebt een boek.
Het boek is van jou.


Het is mijn boek.


Het is jouw boek.



Slide 2 - Tekstslide

Hij heeft een boek.
Het boek is van hem.

Zij heeft een boek.
Het boek is van haar.




Het is zijn boek.


Het is haar boek.



Slide 3 - Tekstslide

Hij, wie is dat?
Hij is een man of jongen. 
Bijvoorbeeld:
Kees, de buurman, de dokter, mijn vriend

Voorbeeld: Mijn vriend heeft een fiets. Het is zijn fiets
Dit potlood is van Mehmet. Het is zijn potlood

Slide 4 - Tekstslide

Zij, wie is dat?
Zij is een vrouw of een meisje.
Bijvoorbeeld: M'mah, de buurvrouw, vriendin, zus.

Voorbeeld: M'mah heeft een fatbike. Het is haar fatbike.
De buurvrouw heeft een hond. Het is haar hond.

Slide 5 - Tekstslide

Wij hebben een boek.
Het boek is van ons.

Jullie hebben een boek.
Het boek is van jullie.

Zij hebben een boek.
Het boek is van hen.
Het is ons boek.


Het is jullie boek.


Het is hun boek.

Slide 6 - Tekstslide

Let op bij wij / ons:

het-woord: ons

Wij hebben een boek
het boek
> Het is ons boek.



de-woord: onze

Wij hebben een hond.
de hond
> Het is onze hond.

Slide 7 - Tekstslide

Bezittelijk voornaamwoord

Slide 8 - Tekstslide

Een bezittelijk voornaamwoord (bijv: Het is van hem, Het is onze hond)
gaat over een persoon?
A
Ja
B
Nee

Slide 9 - Quizvraag

Wat is het bezittelijk voornaamwoord in deze zin?
Haar moeder heet Jasmin
A
haar
B
moeder
C
heet
D
Jasmin

Slide 10 - Quizvraag

Kies het bezittelijk voornaamwoord:
A
de
B
onze

Slide 11 - Quizvraag

Deze pen is van jou.
Het is ... pen.
A
mijn
B
jouw
C
zijn
D
haar

Slide 12 - Quizvraag

Een bezittelijk voornaamwoord geeft aan van wie iets is
A
Waar
B
Niet waar

Slide 13 - Quizvraag

Ik heb een broer.
Hij is ... broer.
A
jouw
B
onze
C
zijn
D
mijn

Slide 14 - Quizvraag

Wij hebben een kat.
Het is ... kat.
A
onze
B
mijn
C
jullie
D
haar

Slide 15 - Quizvraag

Deze fiets is van mij.
Het is ... fiets.
A
jouw
B
mijn
C
haar
D
onze

Slide 16 - Quizvraag

Zij heeft een auto.
Het is ... auto.
A
mijn
B
zijn
C
haar
D
onze

Slide 17 - Quizvraag

Zij hebben een tuin.
Het is ... tuin.
A
hun
B
onze
C
zijn
D
jullie

Slide 18 - Quizvraag

Wij hebben een huis.
Het is ... huis.
A
zijn
B
jullie
C
haar
D
ons

Slide 19 - Quizvraag

Die hond is van jullie.
Het is ... hond.
A
jouw
B
haar
C
jullie
D
onze

Slide 20 - Quizvraag

Mark heeft een vriend.
Het is ... vriend.
A
haar
B
zijn
C
mijn
D
onze

Slide 21 - Quizvraag

Mijn zus en ik hebben een moeder.
Het is ... moeder.
.

A
haar
B
jullie
C
zijn
D
onze

Slide 22 - Quizvraag

De buren hebben een mooie tuin.
Het is ... tuin.
A
zijn
B
hun
C
mijn
D
onze

Slide 23 - Quizvraag

Ik heb een vader.
Het is ... vader/
A
zijn
B
jullie
C
jouw
D
mijn

Slide 24 - Quizvraag

Jij hebt een tas.
Het is ... tas.
A
jouw
B
haar
C
mijn
D
jullie

Slide 25 - Quizvraag

Anna heeft een ring.
Het is ... ring.
A
haar
B
jouw
C
zijn
D
mijn

Slide 26 - Quizvraag

Mijn oom heeft een boot.
Het is ... boot.
A
haar
B
jullie
C
zijn
D
onze

Slide 27 - Quizvraag