Ath 3: Werkwoordspelling herhaling leerjaar 2

Ath 3: Werkwoordspelling herhaling leerjaar 2
1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 5 videos.

time-iconLesduur is: 25 min

Onderdelen in deze les

Ath 3: Werkwoordspelling herhaling leerjaar 2

Slide 1 - Tekstslide

Engelse werkwoorden
Bij de meeste werkwoorden  werkt het hetzelfde als bij de Nederlandse werkwoorden.

Slide 2 - Tekstslide

maar..... let op de uitspraak           -n

Slide 3 - Tekstslide

Engelse werkwoorden
hoe schrijf je het volgende werkwoord in de hij-vorm, vt: timen
A
timde
B
timdde
C
timete
D
timede

Slide 4 - Quizvraag

Engelse werkwoorden
hoe schrijf je het volgende werkwoord in de hij-vorm, vt: barbecueën
A
barbecuedde
B
barbecuede
C
barbecuete
D
barbecuette

Slide 5 - Quizvraag

Engelse werkwoorden
hoe schrijf je het volgende werkwoord in de hij-vorm, vt: lunchen
A
lunchte
B
lunchde
C
lunchtte
D
lunchdde

Slide 6 - Quizvraag

Engelse werkwoorden
hoe schrijf je het volgende werkwoord in de hij-vorm, tt: deleten
A
deletet
B
delet

Slide 7 - Quizvraag

Engelse werkwoorden
hoe schrijf je het volgende werkwoord in de hij-vorm, vt: racen
A
racte
B
racette
C
racde
D
racete

Slide 8 - Quizvraag

Engelse ww
-Hetzelfde als Nederlandse werkwoorden
-Bij werkwoorden die eindigen op -e de 'e' laten staan 
faken --> stam: fake --> hij fake+t (tt)
                                           --> hij fake+te

Slide 9 - Tekstslide

Mijn vader (downloaden, tt) elke dag een paar nieuwe liedjes
A
download
B
downloat
C
downloadt
D
downloadde

Slide 10 - Quizvraag

De journalist (interviewen, tt) mij voor de derde keer.
A
interviewt
B
intervieuwt
C
interviewd
D
interviewdde

Slide 11 - Quizvraag

Jason (barbecueën, tt) het liefst in de achtertuin van zijn huis.
A
barbecued
B
barbecuedt
C
barbecuet
D
barbecuette

Slide 12 - Quizvraag

Op die gladde weg (skate, tt) mijn vriendje het liefst.
A
skatet
B
skate
C
skated

Slide 13 - Quizvraag

Romy en Marie (racen, vt) op hun fiets door de straat
A
raceten
B
racetten
C
raceden

Slide 14 - Quizvraag

Tijdens de marathon (finishen, vt) Anniek en Irma tegelijk.
A
finishden
B
finishten
C
finishtten

Slide 15 - Quizvraag

Slide 16 - Link

Let op: voltooid deelwoord
Soms begint een werkwoord al met be-, ver-, ont-, of her-. Deze krijgt dan géén ge- aan het begin van het voltooid deelwoord.

Voorbeelden: betaald, verteld, ontvoerd, hersteld.

Slide 17 - Tekstslide


Aan het begin van het jaar (besteden) we veel tijd aan werkwoordspelling
A
besteden
B
besteede
C
besteedden
D
besteeden

Slide 18 - Quizvraag

werkwoordspelling
A
Zij begeleiden de vrouw naar huis gisteren
B
Zij begeleidden de vrouw naar huis gisteren.

Slide 19 - Quizvraag

Het gebeur... regelmatig dat men fouten maakt in werkwoordspelling.
A
gebeurd
B
gebeurt
C
gebeurdt

Slide 20 - Quizvraag

(worden) jij ook zo moe van werkwoordspelling?
A
word
B
wordt
C
wert

Slide 21 - Quizvraag

Weet je wel wat het beteken.... als je werkwoordspelling echt beheerst!
A
betekend
B
betekent
C
betekende
D
betekente

Slide 22 - Quizvraag

werkwoordspelling
De jongens (begeleiden) gisteren de vrouw naar huis.
A
begeleiden
B
begeleidden
C
begeleidde
D
begeleden

Slide 23 - Quizvraag

Hebben u haar na al die jaren onmiddellijk herkennen?

Slide 24 - Open vraag

De vrouw (verhuizen) een week nadat het was (gebeuren).
A
Verhuiste, gebeurt
B
Verhuiste, gebeurd
C
Verhuisde, gebeurt
D
Verhuisde, gebeurd

Slide 25 - Quizvraag

Het (gebeuren) niet vaak dat een dokter zelf (bloeden).
A
Gebeurt, bloed
B
Gebeurt, bloedt
C
Gebeurd, bloedt
D
Gebeurd, bloed

Slide 26 - Quizvraag

Marie viel stikkend van het lachen van haar stoel. 'stikkend'=
A
voltooid deelwoord
B
onvoltooid deelwoord

Slide 27 - Quizvraag

Slide 28 - Video

Slide 29 - Video

Slide 30 - Video

0

Slide 31 - Video

Slide 32 - Video

onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Erik koopt een fiets.
onvoltooid verleden tijd (ovt)
Erik kocht een fiets.
voltooid tegenwoordige tijd (vtt) 
Erik heeft een fiets gekocht.
voltooid verleden tijd (vvt)
Erik had een fiets gekocht. 
onvoltooid tegenwoordig toekomende tijd (ottt)
Erik zal een fiets kopen. 
onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) 
Erik zou een fiets kopen.
voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) 
Erik zal een fiets gekocht hebben.
voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) 

Erik zou een fiets gekocht hebben.
Welke tijden kennen we:

Slide 33 - Tekstslide

In het Nederlands heb je acht verschillende tijden: vier daarvan zijn onvoltooid en vier daarvan zijn voltooid.

De voltooide tijd herken je aan het hulpwerkwoord hebben of zijn samen met een voltooid deelwoord. Verder kun je aan de persoonsvorm zien of de zin in de tegenwoordige of verleden tijd staat.

Onvoltooid of voltooid
Onvoltooid betekent niet af. Deze tijd gebruik je om aan te geven dat iets nog bezig is of bezig was op het moment dat je de zin opschrijft. Ook gebruik je deze tijd als het niet belangrijk is of de handeling is afgerond.

Voltooid betekent af. Deze tijd gebruik je om aan te geven dat de handeling klaar is op het moment dat je de zin schrijft. Voor de voltooide tijd gebruik je het hulpwerkwoord hebben of zijn. Ook staat er altijd een voltooid deelwoord in de zin.

Tegenwoordig of verleden
De tijd van de persoonsvorm bepaalt of de zin in de tegenwoordige of verleden tijd staat. Als een zin uit meerdere delen bestaat, moeten de tijden in die zin met elkaar overeenstemmen.

Toekomende tijd
De toekomende tijd herken je aan het hulpwerkwoord zullen.





Slide 34 - Tekstslide

Wat info op een rij
  • Bij Engelse werkwoorden kun je voor het voltooid deelwoord ’t ex-fokschaap gebruiken.
  • De aanvoegende wijs is een werkwoordsvorm die onder meer een wens, toegeving, aanwijzing of aansporing uitdrukt: Leve de koning, het zij zo
  • De gebiedende wijs is een werkwoordsvorm die wordt gebruikt in zinnen die een gebod of bevel uitdrukken. In dergelijke zinnen ontbreekt het onderwerp en staat de gebiedende wijs altijd op de eerste plaats.

Slide 35 - Tekstslide

Mijn (intapen) enkel doet nog steeds zeer.
A
Ingetapete
B
Ingetapede
C
Ingetapte
D
Ingetapde

Slide 36 - Quizvraag

Als je verstandig bent, BRAND je daar je vingers niet aan.
A
pvtt
B
vd
C
pvvt
D
bn

Slide 37 - Quizvraag

terugblik klas 2

Gebiedende wijs
Aanvoegende wijs (vwo)
tegenwoordige tijd
verleden tijd
voltooid deelwoord
enkelvoudige en samengestelde zinnen

Slide 38 - Tekstslide

(Worden) je broer later piloot?
A
Word
B
Wordt

Slide 39 - Quizvraag

De aangebrande koekjes zijn inmiddels verkocht.

Wat is de pv?
A
aangebrande
B
koekjes
C
zijn
D
verkocht

Slide 40 - Quizvraag

Nog altijd blijft in het midden wie er heeft <BEDENKEN> dat Omtzigt elders een baan moest gaan zoeken.
A
GW
B
PVTT
C
INF
D
VD

Slide 41 - Quizvraag


Leve de vakantie.
A
Aanvoegende wijs (conjunctief)
B
Gebiedende wijs (Imperatief)

Slide 42 - Quizvraag