Overal 1-2 hv 4.6 relatieve snelheid

4.6 relatieve snelheid
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScienceMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 1,2

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

4.6 relatieve snelheid

Slide 1 - Tekstslide

programma
lessonup  30 min
huiswerk maken 50 min (57 t/m 60 in de les)
laatste 10 min. discussie project licht

Slide 2 - Tekstslide

Relatieve snelheid
Discussievraag
Vrachtwagens mogen elkaar tijdens het spitsuur op sommige wegen niet inhalen.
Waarom eigenlijk niet

Slide 3 - Tekstslide

Inhalen
Als je wilt weten hoelang het duurt voordat je iemand hebt ingehaald moet je de relatieve snelheid weten.
De relatieve snelheid is het verschil in snelheid tussen twee bewegende voorwerpen

Slide 4 - Tekstslide

Inhalen
De relatieve snelheid geeft aan hoeveel harder of langzamer je gaat dan iemand anders.
Je fietst  achter een vriend aan.
met en snelheid van 7 m/s
Jij rijdt met een snelheid van 8 m/s.
Je relatieve snelheid is dan
8 - 7 = 1 m/s
Je komt dus elke seconde 1 meter dichterbij.

Slide 5 - Tekstslide

Een auto met een snelheid van 50 km/h haalt een fietser met een snelheid van 15 km/h in.
wat is de relatieve snelheid van de auto
A
50 km/h
B
15 km/h
C
35km/h
D
65 km/h

Slide 6 - Quizvraag

twee wandelaars lopen een straat met een lengte van 1 km door.ze beginnen op het zelfde punt.
wandelaar1 loopt met een snelheid van 1,5 m/s
en wandelaar twee met een snelheid van 1,3 m/s
wat is de relatieve snelheid van wandelaar 1
A
1,5 m/s
B
1,3 m/s
C
2,8 m/s
D
0, 2 m/s

Slide 7 - Quizvraag

twee wandelaars lopen een straat door. Ze beginnen op het zelfde punt.
wandelaar 1 loopt met een snelheid van 1,5 m/s, en wandelaar twee met een snelheid van 1,3 m/s
Hoe groot is het verschil in afstand tussen de twee wandelaars na 1 minuut.
A
0,2m
B
200m
C
1,2m
D
12m

Slide 8 - Quizvraag

Een auto rijdt 100 meter achter een vrachtwagen.
De auto rijdt met een snelheid van 120 km/h en de vrachtwagen met een snelheid van 80 km/h.
Hoelang doet de auto erover om naast de vrachtwagen te komen.
A
2,5s
B
2,5 uur
C
9s
D
11s

Slide 9 - Quizvraag

Tegemoet komen
Als iemand in jouw richting rijdt dan heeft hij een negatieve snelheid.
De blauwe auto rijdt met een snelheid van 50 km/h.
De tegemoetkomende grijze auto rijdt met een snelheid van 60 km/h. dan is zijn snelheid negatief dus -60 km/h.
Dan is de relatieve snelheid:
50 - (-60) = 110 km/h

Slide 10 - Tekstslide

voorbeeld
Mark en John doen mee aan een hardloopwedstrijd.
Mark loopt met een constante snelheid van 13 km/h.
John loopt het eerste deel langzamer en loopt op 3,0 km voor de finish 300 meter achter. Vanaf dat moment loopt John met een snelheid van 14 km/h.
Bereken de relatieve snelheid van John over de laatste 3 km.
Antwoord:
 14 km/h - 13 km/h = 1 km/h  is gelijk aan 1 / 3,6 = 0,278 m/s

Slide 11 - Tekstslide

voorbeeld
Mark en John doen mee aan een hardloopwedstrijd.
Mark loopt met een constante snelheid van 13 km/h.
John loopt het eerste deel langzamer en loopt op 3,0 km voor de finish 300 meter achter. Vanaf dat moment loopt John met een snelheid van 14 km/h.
Ga na wie de wedstrijd wint. bij een relatieve snelheid van 0,278m
a.Hoelang doet John erover om Mark in te halen.
b.Na hoeveel tijd gaat John daadwerkelijk over de finsh.

Antwoord a:   300 meter : 0,278 m =1079 s

Antwoord b:   gegevens : s= 3000m   v= 14 / 3,6 =3,9 m/s
                           gevraagd: t =  ?   formule: t = s/v
                           berekening: t = 3000 / 3,9 = 769 s
                           Antwoord: Mark wint want John heeft 1079 s nodig
                           maar heeft nog maar 769s voor de finish.

Slide 12 - Tekstslide

Een bromscooter komt een snorscooter tegemoet.
De bromscooter heeft een snelheid van 38 km/h.
De snorscooter heeft een snelheid van 21 km/h
Wat is de relatieve snelheid van de bromscooter.
A
17 km/h
B
21 km/h
C
38 km/h
D
59 km/h

Slide 13 - Quizvraag

Een bromscooter komt een snorscooter tegemoet.
De bromscooter heeft een snelheid van 38 km/h.
De snorscooter heeft een snelheid van 21 km/h
Hoe lang duurt het voordat de scooters elkaar passeren als zij op een afstand van 500 meter van elkaar zijn.
A
8,5 uur
B
8,5s
C
30,5 s
D
106s

Slide 14 - Quizvraag

Juist of onjuist
De relatieve snelheid is de som van de snelheid van twee bewegende voorwerpen
A
juist
B
onjuist

Slide 15 - Quizvraag

Juist of onjuist
Een negatieve snelheid is een snelheid in de zelfde richting
A
juist
B
onjuist

Slide 16 - Quizvraag

Juist of onjuist
Een negatieve snelheid is een snelheid in de zelfde richting
A
juist
B
onjuist

Slide 17 - Quizvraag

Inhalen in een diagram
Op welk tijdstip je iemand inhaalt kun je zien in een (s,t)-diagram, op het moment dat je iemand inhaalt zijn tijd en afstand hetzelfde.
In een (s,t)-diagram is dit het punt waar de twee grafieken elkaar snijden.
Joke haalt Alice op 2 s in, ze zijn dan op dezelfde positie.

Slide 18 - Tekstslide

Inhalen in een diagram
In een (v,t)-diagram betekent het snijpunt iets anders.
De snelheid is hier namenlijk gelijk.
De afgelegde afstand kun je berekenen uit de oppervlakte onder de grafiek.
John heeft op 10 s een grotere afstand (grotere oppervlakte) afgelegd dan Adrian.

Slide 19 - Tekstslide


Op welke afstand Haalt Joke,
 Alice ongeveer in.
A
2S
B
1,3m
C
1,5m
D
geen van de antwoorden

Slide 20 - Quizvraag


Hoe groot is de snelheid van Alice
A
0,5m/s
B
0,58 m/s
C
0,65m/s
D
1.58m/s

Slide 21 - Quizvraag


Hoe groot is de snelheid van Johan op 10 seconde.


A
10 m/s
B
5 m/s
C
6 m/s
D
7 m/s

Slide 22 - Quizvraag

huiswerk
lees 4.6 en maak 57-59-61

Slide 23 - Tekstslide