HAVO 3 Ch. 5 Delend lidwoord

1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Terugblik en planning
  • Wat hebben we tot nu toe gehad?
  • Toets ingepland voor maart!



Slide 2 - Tekstslide

Grammaire




Nieuw onderwerp:
Het delend lidwoord.

Een woord die in het Nederlands.. niet bestaat?!

Log in op LessonUp.app


Slide 3 - Tekstslide

En français il y a 3 types d'article


Slide 4 - Tekstslide

l'article défini = bepaald lidwoord
le, la, les, l' = de/het

Slide 5 - Tekstslide

l'article indéfini = onbepaald lidwoord
un, une = een

Slide 6 - Tekstslide

l'article partitif = delend lidwoord
(bestaat niet in het Nederlands dus niet te vertalen)
du, de la, des, de l'

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

Het delend lidwoord

Hij bestaat niet in het Nederlands!

Nederlands: geen lidwoord voor het zelfstandig naamwoord..?
Dan in het  Frans: delend lidwoord.


Bijvoorbeeld; Ik eet chocola

Je mange du chocolat.

Slide 9 - Tekstslide

Wanneer?


Par exemple:
Hij koopt appels - geen lidwoord voor "appels" in de Nederlandse zin.

In een Franse zin gebruik je dan wel een lidwoord of delend lidwoord; DES pommes
Als er in het Nederlands geen lidwoord staat voor het zelfstandig naamwoord.

Slide 10 - Tekstslide

Vormen van het delend lidwoord
Du = mannelijke woorden: du coca
De la = vrouwelijke woorden: de la limonade

De l' = bij klinker of h: de l'eau
Des = meervoud: des pommes
Let op: de + le = du

Slide 11 - Tekstslide

Het delend lidwoord



         J'ai pris du jambon               -               Ik heb ham genomen
Tu veux de la salade             -              Wil je sla/salade? 

Wel een getal? Of een ontkenning? Gebruik dan "de".
Als er in het Nederlands geen lidwoord of geen getal voor het zelfstandig naamwoord staat, komt er in het Frans een delend lidwoord (du/de la/de l' of des) voor het znw. 

Slide 12 - Tekstslide



'Ik ontbijt met kaas.'
Kies de juiste vertaling.
A
Je déjeune avec du fromage.
B
Je déjeune avec le fromage.

Slide 13 - Quizvraag



'Wil je kip?'

A
Tu veux du poulet ?
B
Tu veux des poulet ?
C
Tu veux de la poulet ?

Slide 14 - Quizvraag


Lees de zin: 'Ik wil drie hamburgers.'
Kies nu de juiste vertaling.
A
Je veux trois des hamburgers
B
Je veux trois hamburgers.

Slide 15 - Quizvraag


'Heb je jam gegeten?'
Kies het juiste antwoord.
A
Tu as mangé de la confiture ?
B
Tu as mangé la confiture ?

Slide 16 - Quizvraag

DE L'
DES
DE
DES
Je mange ........... fruits.
Tu donnes ......... cadeaux.
Il achète 3 kilos ...... pommes
Il boit ...... eau

Slide 17 - Sleepvraag

Het delend lidwoord

Te maken met een getal?
Of een ontkenning?
Dan gebruik je alleen het woordje "de"!

“Il n'y a pas de tomates”
Als er sprake is van een ontkenning of een getal geldt er een regel..

Slide 18 - Tekstslide



Let goed op deze zin: 'Ik wil een kilo appels'
Kies de juiste vertaling.
A
Je veux un kilo des pommes.
B
Je veux un kilo de pommes.

Slide 19 - Quizvraag


'Er is geen olie meer.'
Kies de juiste vertaling.
A
Il n'y a plus d'huile.
B
Il n'y a plus de l'huile.

Slide 20 - Quizvraag

Sleep de delend lidwoorden naar de juiste zinnen.
Je mange ... croissants.
Elle boit ... eau minérale.
Ils achètent ... pain.
Elle n'a pas ... chips.
On a peu ... argent
du
d'
de
des
de l'

Slide 21 - Sleepvraag


Gelukt om het te begrijpen?
😒🙁😐🙂😃

Slide 22 - Poll

À faire 
Maak opdracht 15 en 16!

Je vindt de opdrachten
op blz. 22, 23 van boek B.

Klaar: nakijken en laten zien.
Online: Bron D van hoofdstuk 3.

Slim stampen 80% goed!

Slide 23 - Tekstslide